Je komt het onderwerp geregeld tegen in christelijke media: pornoverslaving. Het is een groeiend probleem. Een ware epidemie, wordt het zelfs genoemd. Vele christenen hebben ermee te kampen. Steeds opnieuw wordt er geroepen hoe erg het is en hoe nodig er iets aan gedaan moet worden. Maar nog altijd is er maar weinig openheid over. Begrijpelijk natuurlijk. Het is een heel gevoelig onderwerp, omgeven met gevoelens van schuld, schaamte en gekwetstheid.

Mij viel op dat er, ondanks de vele aandacht in de christelijke media, in de christelijke boekwinkels toch maar weinig boeken over dit onderwerp te vinden zijn. Om daar iets aan te doen heb ik het boek Meer dan een strijd. Winnen, vrijkomen en helen van lust van Joe Rigney vertaald. Deze week verscheen het bij mijn eigen Uitgeverij Theofilus.
Joe Rigney heeft veel ervaring met pornoverslaving. Niet alleen omdat hij zelf verslaafd geweest is, maar ook omdat hij jarenlang mannen geholpen heeft die eraan verslaafd waren. In dit boek deelt hij zijn benadering.
Die kenmerkt zich door drie dingen.
In de eerste plaats stelt hij dat je pornografie moet bekijken door drie verschillende lenzen en dus de strijd moet voeren vanuit drie verschillende invalshoeken, die alle drie even belangrijk zijn en evenveel nadruk moeten krijgen:
- Het is een zonde die je moet overwinnen,
- een verslaving waar je van moet vrijkomen en
- gebrokenheid waar je van moet helen.
Vaak voert men de strijd voornamelijk vanuit één deze invalshoeken, maar dat werkt niet, zegt Rigney, omdat er dan te veel aspecten buiten beschouwing blijven. Rigney besteed dan ook veel aandacht aan de dieper liggende oorzaken achter een pornoverslaving. Vaak komt die voort uit ervaringen uit verleden, vaak al uit de vroege jeugd.
In de tweede plaats vindt Rigney het belangrijk dat er in de kerk mannen zijn die weten hoe ze andere mannen op dit terrein moeten helpen. Vaak wordt deze hulp volledig uitbesteed aan professionele hulpverleners en in mindere mate aan kerkelijke ambtsdragers (predikanten en ouderlingen). Rigney pleit ervoor dat ambtsdragers in hun gemeente ook andere mannen bij deze hulp inschakelen:
Bedenk eens hoeveel goeds eruit voort kan komen als, na verloop van tijd, tientallen mannen in jouw kerk in staat zijn wijze raad te delen met andere mannen. Bedenk welke impact dat zou hebben op de gezinnen in je gemeente. Bedenk hoeveel verwoesting je wellicht voorkomt in de volgende generatie. Daarom wil ik je aansporen om het advies aan te nemen van Jethro aan Mozes in Exodus 18:18: als je het alleen probeert te doen, put je jezelf uit. Zoek in plaats daarvan bekwame en godvrezende mannen in jullie midden en train hen in de basis, zodat jij de zwaardere gevallen kunt behandelen. (blz. 23)
In de derde plaats plaatst Rigney zijn benadering onder het ‘vaandel’, zoals hij zelf zegt, van Galaten 5:16:
Maar ik zeg: Wandel door de Geest en u zult zeker de begeerte van het vlees niet volbrengen. (HSV)
Dat lijkt me een terecht en hoopvol uitgangspunt: dankzij de Heilige Geest is het daadwerkelijk mogelijk om nee te leren zeggen tegen verleidingen en verslavingen.
Wel moet ik bekennen dat ik me niet volledig kan vinden in hoe Rigney deze theologische basis onder zijn benadering uitwerkt.
In de eerste plaats maakt hij een naar mijn idee on-Bijbels onderscheid tussen de periode vóór en de periode na Pinksteren. Volgens Rigney krijgen gelovigen na Pinksteren meer kracht van de Geest om zonde te weerstaan dan de gelovigen vóór Pinksteren. Dat lijkt me niet Bijbels. Als het gaat om wedergeboorte, geloof en het weerstaan van zonde was de Geest in het Oude Testament evenzeer werkzaam in de gelovigen als in het Nieuwe Testament. Het verschil zit in iets anders: na Pinksteren zijn alle gelovigen door de Geest gezalfd als profeten, priesters en koningen en beperkt zijn werk zich niet meer tot Israël, maar omvat het alle volken.
Een tweede probleem is dat Rigney dit onderscheid vervolgens verbindt met een ander, psychologisch onderscheid: dat tussen het ‘zinnelijk waarnemingsvermogen’ en het ‘zinnelijk streefvermogen’. Die termen hebben enige uitleg nodig. Het eerste wil zeggen dat je instinctief en onbewust reageert op wat je waarneemt en het tweede dat je rationeel en bewust beslist wat je wilt. Dit onderscheid is heel zinnig en terecht, maar Rigney vereenzelvigt dit onderscheid vervolgens met het onderscheid dat Paulus maakt tussen vlees en geest. Instinctieve begeerten zijn volgens hem het vlees, dat nog altijd door de zonde is aangetast. Maar ons bewustzijn is door de Geest herstelt en daarom kunnen we nu (na Pinksteren) het instinct, het vlees dus, onder controle houden, aldus Rigney. Een man als David kon dat nog niet, zegt Rigney in feite, maar Paulus wel en wij dus ook. En volgens Rigney is dat waar Romeinen 7 over gaat. Als Paulus zegt: het goede dat ik wil, doe ik niet en het slechte dat ik niet wil, doe ik, dan bedoelt hij volgens Rigney de ervaring van een gelovige vóór Pinksteren. David kon nog niet voldoende weerstand bieden aan zijn vlees. Maar dat zou niet Paulus’ eigen ervaring van na Pinksteren zijn. Zijn eigen (en onze) ervaring zou hij beschrijven in Romeinen 8.
Dit alles lijkt me veel te simplistisch. Heel ons wezen is door de zonde aangetast, ook ons bewuste denken. Heel ons wezen wordt door de Geest vernieuwd, ook onze onbewuste reacties. Maar die vernieuwing blijft in dit leven incompleet, zowel wat betreft ons onbewuste als ons bewuste denken. Het onderscheid tussen onbewust en onbewust laten samenvallen met het onderscheid tussen vlees en geest lijkt me dus niet terecht. En Romeinen 7 gaat wel degelijk ook over de ervaring van gelovigen van na Pinksteren.
Gelukkig ontkent Rigney niet dat gelovigen in dit leven onvolmaakt blijven en dat er levenslang strijd geleverd zal moeten worden tussen vlees en geest. Dat is juist ook de reden waarom hij dit boek geschreven heeft. En hij heeft volgens mij gelijk als hij zegt dat, hoe je Romeinen 7 ook uitlegt, dat hoofdstuk nooit als excuus kunt gebruiken om die strijd maar niet te voeren, omdat die toch hopeloos is. De ervaring van Romeinen 7 is niet het werk van de Geest. Het is de oude mens die opspeelt, maar die met de Geest gedood moet worden.
Bovendien is het onderscheid tussen ons onbewuste en bewuste denken heel nuttig in deze strijd, terwijl de simplistische vereenzelviging daarvan door Rigney met het onderscheid tussen vlees en geest niet heel bepalend is voor het geheel van het boek.
Alles bij elkaar vind ik de bezwaren tegen Rigneys theologie dan ook niet opwegen tegen het vele goede dat dit hoopvolle boek te bieden heeft en ik hoop en bid dat het velen kan helpen om zelf te winnen, vrij te komen en te helen van seksuele zonden of anderen daarbij te helpen.






















