Gisteren bereikte ik een mijlpaal: ik publiceerde mijn berijming van Psalm 75. Daarmee heb ik van de helft van alle psalmen een berijming gepubliceerd. Ik vind dit wel een mooi moment om even stil te staan en eens na te denken over wat nu een goede psalmberijming is. Aan welke eisen moet een psalmberijming nu eigenlijk voldoen?
Je zou het heel kort kunnen zeggen: een goede psalmberijming geeft de inhoud van de Psalm zo goed mogelijk weer op rijm. Een goede psalmberijming is dus een psalmberijming die trouw blijft aan de onberijmde tekst.
Maar berijmen kent natuurlijk hetzelfde probleem als vertalen, maar dan nog sterker: bij het weergeven van de oorspronkelijke tekst in een nieuwe taal en/of een nieuwe vorm, moet je voortdurend compromissen sluiten. Want die nieuwe taal, die andere vorm legt je grenzen op waar je de oorspronkelijke tekst moet zien in te passen. En dat gaat nooit zonder aanpassingen. Vertalen is verraden, zegt men wel. Berijmen is dat nog meer.
Als je een psalm wilt berijmen op de melodieën van het Geneefse Psalter (de melodieën dus die in de tijd van Calvijn in Genève zijn ingevoerd en daarna ook in Nederland eeuwenlang zijn gebruikt), dan stuit je daarbij op drie grenzen:
- Het aantal lettergrepen per couplet moet overeenkomen met het aantal noten van de melodie.
- De beklemtoonde woorden moeten samenvallen met de accenten in de melodie.
- De laatste lettergrepen van de regels moeten rijmen, liefst volgens het rijmschema dat voor de betreffende psalm altijd gebruikt is.
Deze drie grenzen leveren als het ware een strakke mal op waar de oorspronkelijke tekst in geperst moet worden. Daar is heel wat kneden en duwen voor nodig. Vooral omdat het ook wel handig is als het uiteindelijke resultaat goed te begrijpen en liefst ook nog een beetje mooi is.
Je hebt dus eigenlijk vier eisen waar een psalmberijming aan moet voldoen:
- De tekst moet recht doen aan de oorspronkelijke tekst.
- De tekst moet qua rijm en metrum passen in de mal van het Geneefse Psalter.
- De tekst moet duidelijk zijn.
- Het geheel moet mooi zijn.
En het probleem is dus dat het nooit lukt om aan al die eisen te voldoen. Het is altijd schipperen. Balanceren. Zoeken naar evenwicht. Steeds weer is de vraag: welk compromis is aanvaardbaar? Soms neem je genoegen met een iets minder rijm, om meer recht te doen aan de oorspronkelijke tekst of omwille van de duidelijkheid. Een andere keer doe je een kleine concessie aan de inhoud, omdat het mooier rijm, een beter ritme of een beter lopende zin oplevert.
Ik heb gemerkt dat daarbij verschillende overwegingen een rol spelen. Laten we die eens wat beter bekijken.
Recht doen aan het origineel
Het spreekt natuurlijk vanzelf dat een psalmberijming recht moet doen aan de oorspronkelijke, onberijmde psalmtekst. Maar wat betekent dat?
Het ligt voor de hand dat je al berijmend de onberijmde tekst op de voet volgt. Elk woord, elke zin laat je terugkomen in de berijming. Maar zo simpel is het dus niet. Al snel stuit je op vragen, zoals:
- Moet je altijd consequent dezelfde volgorde aanhouden? Of mag je soms passages omwisselen, bijvoorbeeld omdat je dan gemakkelijker een goed rijmwoord vindt?
- Mag je gedeelten samenvatten of weglaten om de tekst binnen de grenzen van een couplet te laten passen? Of mag je juist dingen toevoegen, om een couplet vol te krijgen of om een goed rijmwoord te kunnen vinden?
- Moet je altijd exact dezelfde poëtische beelden gebruiken als in de onberijmde tekst, of mag je beelden uitleggen of door andere beelden vervangen?
In de praktijk is mij gebleken dat je er simpelweg niet aan ontkomt om jezelf op deze punten inderdaad enige vrijheid te gunnen. Het enige wat je kunt proberen, is om er zo min mogelijk gebruik van te maken.
Maar belangrijker is nog dat berijmen, net als vertalen, ook altijd interpreteren is. Als je een psalm berijmt, geeft je daarmee onvermijdelijk een bepaalde visie weer op die psalm. Hoe je het ook wendt of keert, je geeft de boodschap van de psalm weer in eigen, andere woorden. De keuzes die je maakt zijn afhankelijk van wat volgens jou die boodschap is. Je kunt als berijmer dus niet heen om de vraag: hoe lees ik de Psalmen?
Ik denk dat daarbij een aantal zaken van belang zijn:
- Je moet de Psalmen altijd lezen in het verband met het geheel van de Schrift. De Schrift legt de Schrift uit en dus ook de Psalmen. Ook een psalmberijming moet dus recht doen aan de hele boodschap van de Schrift. En soms kan een berijming verbanden laten oplichten die in de oorspronkelijke psalmtekst minder helder zijn.
- Psalmen hebben altijd meerdere lagen. Ze zeggen iets in de specifieke tijd en omstandigheden van de dichter. Maar elke psalm zegt ook iets over Christus. En ze zeggen iets over ons nu. Psalmen zijn weliswaar oudtestamentische liederen, maar er zit altijd een nieuwtestamentische boodschap in. Die mag in een psalmberijming best wat meer accent krijgen. We zingen de Psalmen nu immers in een nieuwtestamentische context. Een simpel voorbeeld: in veel Psalmen gaat het over het erven van land. In de oudtestamentische context is dat het beloofde land Kanaän. Maar in de nieuwtestamentische context is dat de beloofde nieuwe aarde. Het ligt dus voor de hand om eerder het woord ‘aarde’ te gebruiken dan het woord ‘land’.
- Psalmen zijn verbondsliederen. De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) stelden bij de samenstelling van de psalmberijming in hun Gereformeerd Kerkboek zelfs nadrukkelijk als eis dat de berijmde psalmen recht moest doen aan de Psalmen als verbondsliederen. Maar wat houdt dat in? Nou, let maar eens op hoe vaak God in de Psalmen wordt aangesproken als ‘mijn God’ of ‘onze God’ en hoe vaak het volk Israël wordt aangeduid als ‘uw volk’. De Psalmen gaan altijd over de relatie tussen God en zijn volk. Ze doen voortdurend een beroep op die relatie en op Gods beloften aan zijn volk. En in dat kader vertellen ze over wat God in het verleden voor zijn volk gedaan heeft en uiten ze vertrouwen in wat Hij in de toekomst nog gaat doen. Voor een berijming betekent dat dat alle verwijzingen naar het verbond, naar Gods beloften, naar de relatie tussen God en zijn volk (zijn eigendom) tot hun recht moeten komen. Juist die elementen mogen niet tussen wal en schip raken, maar mogen zelfs extra nadruk krijgen. Dat betekent bijvoorbeeld ook dat waar de namen van Abraham, Izak en Jakob genoemd worden, die namen in de berijming als het even kan terug moeten komen. Want ook de kerk van nu wordt gerekend als kinderen van deze drie aartsvaders. Wij zijn immers bij Israël ingelijfd.
Rijm en metrum
Als je al deze dingen in de mal van rijm en metrum wil persen, ontkom je er niet aan ook daar de vraag te stellen waar de grenzen van je vrijheid liggen. Bijvoorbeeld:
- Mag je lettergrepen wegmoffelen, door gebruik te maken van elisie? ‘Het’ kan ‘’t’ worden en ‘ik’ ‘’k’. Een stap verder is al om van ‘wonderen’ of ‘kinderen’ ‘wondren’ en ‘kindren’ te maken. Vroeger gebeurde dat veelvuldig, maar tegenwoordig geldt: liever niet. Maar als het nu niet anders kan zonder de inhoud of de duidelijkheid geweld aan te doen? (Vroeger had je ook nog samentrekkingen (genade > genã), maar dat kan echt niet meer.)
- Mag je soms een beetje sjoemelen met de accenten? Natuurlijk niet zoals Datheen dat deed, waardoor nu nog steeds veel kerken isoritmisch zingen, simpelweg omdat Datheen geen enkele rekening had gehouden met de verhouding tussen de klemtonen in de tekst en de accenten in de melodie, waardoor ritmisch zingen gewoon niet ging. Maar mag je hier en daar een accentje verschuiven? Gelukkig zijn sommige melodiewendingen en bepaalde woorden op dit punt toegeeflijk. Ook hier geldt: liever niet, maar soms lukt het niet anders en is het misschien toch aanvaardbaar.
- En dan het meest opvallende: het rijm. Moet er altijd sprake zijn van zuiver volrijm (slapen – schapen, werk – sterk)? Of mag er ook sprake zijn van andere rijmvormen? Mag je één of meer medeklinkers toevoegen of weglaten (Heer – keert; vlucht – burcht; woorden – horen)? Mag je gebruik van van alliteratie, waarbij juist het begin van een woord rijmt (donder – donker)? Of van assonantie, waarbij alleen de klinkers rijmen (mens – werd; hoop – dood) en dan soms ook alleen nog maar van één lettergreep (wonen – koning) of slechts gedeeltelijk (eeuwig – eerlijk)? Nu lijkt het wel alsof men tegenwoordig steeds vrijer met rijm omgaat. Maar ook in oudere psalmberijmingen zie ik dit soort vrije rijmvormen voorkomen. Dus opnieuw: liever niet, maar soms lukt het niet anders.
Duidelijk
Als je een psalm zingt, is het natuurlijk wel de bedoeling dat je begrijpt wat je zingt. Dat betekent in de eerste plaats: hedendaags taalgebruik. Dat is immers ook dé reden om aan de vele psalmberijmingen die er al zijn steeds nieuwe toe te blijven voegen: psalmberijmingen verouderen. Wat mij betreft betekent dat niet alleen zoveel mogelijk verouderde woorden vermijden, maar ook de tekst zo dicht mogelijk laten aansluiten bij het gewone alledaagse spraakgebruik, maar zonder dat het plat of oneerbiedig wordt.
Daarom heb ik er bijvoorbeeld voor gekozen om ‘jij’ en ‘jullie’ te gebruiken in plaats van ‘u’ (behalve natuurlijk voor God en een aantal andere gevallen, bijvoorbeeld als het over de koning gaat). En ook om consequent ‘HEER’ en ‘Heer’ gebruiken in plaats van ‘HE(E)RE’ en ‘He(e)re’. Aan de andere kant is het ook niet goed om bepaalde Bijbelse woorden, zoals ‘rechtvaardigheid’ en ‘goedertierenheid’ helemaal weg te laten. Zulke woorden mogen niet in onbruik raken.
Verder is voor de duidelijkheid essentieel dat de zinsbouw zo eenvoudig mogelijk is. Maar ja, ook hier geldt: soms moet je concessies doen omwille van rijm en metrum of de inhoud.
Mooi
En ten slotte is het natuurlijk ook wel fijn als het allemaal ook nog een beetje mooi is. Als er iets te genieten valt. Als het aansprekend blijft, ook als je het misschien al vele keren gezongen hebt. Nu ligt het voor de hand om dan te zeggen: een psalmberijming moet mooie poëzie zijn. Zijn de onberijmde Psalmen immers ook geen poëzie? Velen vinden dan ook: hoe poëtischer de berijming, hoe beter.
Maar berijmen is iets anders dan dichten. Bij dichten staat de schoonheid voorop. Dichten is een boodschap zo mooi mogelijk verpakken. Bij dichten gebruik je poëtische beelden en breng je diepere lagen aan, waar je als lezer soms lang over na moet denken voor je helemaal begrijpt wat er in zit.
Maar voor een psalmberijming vind ik die benadering niet zo geschikt. Voor een lied dat je in de kerk zingt, moet je niet te veel tijd nodig hebben om de boodschap tot je door te laten dringen. Berijmen is wat mij betreft in essentie dan ook niet meer dan de gegeven inhoud op rijm zetten. Maar omdat de onberijmde Psalmen zelf al poëzie zijn, reiken ze al veel poëtische beelden aan. Hoe meer je daarvan in je berijming kunt laten terugkomen, hoe beter. En als je zelf nog iets poëtisch kunt toevoegen, zonder afbreuk te doen aan de oorspronkelijke tekst en aan de duidelijkheid, dan is dat mooi meegenomen. Maar wat mij betreft moet dat geen doel op zich worden.
Wel is het natuurlijk zaak dat het taalgebruik verzorgd is, dat de zinnen goed lopen en dat er bijvoorbeeld voldoende variatie zit in woordgebruik, vooral ook in de gekozen rijmwoorden. Maar mijn ervaring is: als je de poëtische taal van de onberijmde Psalmen uitbuit, goed je best doet op rijm en metrum en let op de duidelijkheid, dan komt er vanzelf ook schoonheid mee.
Een goede psalmberijming maken is dus schipperen tussen meerdere oriëntatiepunten. Is het mij gelukt daarbij steeds de juiste koers te houden? Het antwoord op die vraag ga ik zelf niet geven. Ik moet bekennen dat het voor mij ook nog vaak een zoektocht is. Daarom hoor ik graag het oordeel van anderen …

























