4.13.1 – Inleiding

0
'Aan mensen beloven we iets waarvan we denken dat ze er blij mee zijn of dat we het tegenover hen verplicht zijn. Als het gaat om geloften die gericht worden aan God zelf, moeten we veel zorgvuldiger zijn. Want met Hem moeten we zo serieus mogelijk omgaan.'

4.13.2 – We hebben te maken met God

0
'Sommigen proberen lof te verdienen voor hun nederigheid door zich te verstikken in vele vormen van onthouding. Terwijl God niet voor niets wilde dat we daar vrij in zouden zijn.'

4.13.3 – We mogen niet te veel beloven

0
'Sommigen proberen lof te verdienen voor hun nederigheid door zich te verstrikken in vele vormen van onthouding. Terwijl God niet voor niets wilde dat we daar vrij van zouden zijn.'

4.13.4 – Geloften voor het verleden: dankbaarheid en berouw

0
'Het is heel belangrijk met welke bedoeling je een gelofte doet. Want de Heer kijkt naar het hart en niet naar uiterlijke schijn.'

4.13.5 – Geloften voor de toekomst: zelfbeheersing en aansporing

0
'Geloften lijken iets te hebben van een basisopvoeding. Omdat ze helpen bij zwakheid, kunnen ongeschoolden en onvolwassenen er baat bij hebben.'

4.13.6 – Legitieme geloften

0
'Alle gelovigen hebben één zelfde gelofte. Die hebben we gedaan bij de doop en door onderwijs in de christelijke leer en door gebruikt te maken van het avondmaal bevestigen en ratificeren we die als het ware.'

4.13.7 – Verkeerde geloften

0
'Huichelaars hebben het gevaarlijke en vervloekte idee dat ze, als ze onzinnige dingen gedaan hebben, een meer dan gewone rechtvaardigheid verdiend hebben. Ze plaatsen de kern van vroomheid in uiterlijke rituelen.'

4.13.8 – Het oude kloosterleven

0
'Vroeger was het de gewoonte dat vrome mannen zich door de kloosterediscipline voorbereidden op het besturen van de kerk. Dan zouden ze extra bekwaam en beter getraind zijn om zo'n grote taak op zich te nemen.'

4.13.9 – Augustinus over het oude kloosterleven

0
'Voor wie rein zijn, zijn alle dingen rein.'

4.13.10 – Het verschil tussen het oude en het tegenwoordige kloosterleven

0
'Monniken zijn niet tevreden met de vroomheid waarvan Christus gebiedt dat de zijnen die continu moeten proberen te bereiken. Daarom verzinnen ze een of andere nieuwe vroomheid. Ze denken dat ze, als ze daarover mediteren, volmaakter zijn dan alle andere mensen.'