De koraalfantasie over Wo Gott der Herr nicht bei uns hält (BWV 1128) van Johann Sebastian Bach, gespeeld op het orgel van de Grote of Sint-Michaëlskerk in Zwolle (via Hauptwerk).

Wo Gott der Herr nicht bei uns hält,
wenn unsre Feinde toben,
und er unsrer Sach nicht zufällt,
im Himmel hoch dort oben;
wo er Israels Schutz nicht ist,
und selber bricht der Feinde List;
so ists mit uns verloren.

Dit is Bachs ‘nieuwste’ orgelwerk: het werd pas in 2008 ontdekt. Dat wil zeggen: het stuk was wel bekend, maar Bachs auteurschap werd betwijfeld. In 2008 dook bij een veiling een 19e-eeuws afschrift op van het stuk, gemaakt door een Bach-deskundige, en sindsdien geldt het stuk als een echt Bach-werk.

Het is een uitgebreide koraalfantasie in Noordduitse stijl. Elke melodieregel wordt uitgebreid bewerkt en vormt soms haast een koraalbewerking op zich. Daarbij wordt veel gebruik gemaakt van uitkomende stemmen, melodieversieringen, klavierwisselingen en echo-effecten. Er waren wel meerdere stukken van Bach bekend in deze stijl (bv. BWV 718 en 739), maar niet van deze omvang.

In deze fantasie over de lutherse berijming van Psalm 124 houdt Bach de eerste vier regels vrij kort. Opvallend is dat bij de eerste twee regels de melodie alleen in de tenor en de bas klinkt. De alt en de sopraan laten een beweeglijke tegenstem horen. De sopraan doet dat uitkomend, op het moment dat je daar de melodie verwacht. Het is alsof Bach daarmee de afwezigheid van God wil laten horen. In plaats van dat God bij ons is, woeden de vijanden. Vooral de tegenstem bij regel twee laat dat woeden duidelijk horen.

Maar in de regels drie en vier, qua melodie gelijk aan de vorige twee regels, keert Bach dat om. Dan klinkt de melodie juist wel in de sopraan en verhuizen de beide tegenstemmen naar bas: God is wel degelijk bij ons en vanuit de hemel houdt Hij het woeden van de vijanden in bedwang!

Vanaf regel vijf wordt elke regel breed uitgesponnen. Regel vijf klinkt eerst vijf keer met daarna een echo en dan nog een zesde keer in de sopraan met een beweeglijke bas daaronder en uitmondend in een dalende lijn naar het onderste octaaf.

Een dergelijke daling vormt ook de afsluiting van de laatste twee regels. Bij regel zes klinkt melodie de een keer in de alt, in de bas en, uitkomend, in de sopraan. Bij de laatste regel, klinkt de melodie veel vaker, in elke stem meerdere keren. Daarbij vinden er vele beweeglijke stemkruisingen plaats tussen de rechter en de linkerhand, alsof die voortdurend met elkaar in strijd zijn.

Het stuk sluit af met een beweeglijke apotheose die gebruikelijk is voor een dergelijke koraalfantasie, waarbij de rechterhand zich over de hele breedte van het klavier beweegt: zowel de lage c als de hoge d worden gebruikt.

Registratie:
Hoofdwerk: Octaav 8′, Vox Humana 8′
Bovenpositief: Praestant 8′, Quinta 3′, Viola di Gamba 8′
Borstwerk: Praestant 4′, Regaal 8′
Pedaal: Subbas 16′, Octaav 8′
Bovenpositief+Borstwerk

Maat 21:
Hoofdwerk: + Nasaat 3′
Borstwerk: + Quintanus 1 1/2′

Maat 41:
Hoofdwerk: – Nasaat 3′, Vox Humana 8′
Bovenpositief: – Viola di Gamba 8′
– Bovenpositief+Borstwerk

Maat 52:
Hoofdwerk: + Octaav 4′, Nasaat 3′, Vox Humana 8′
Bovenpositief: + Viola di Gamba 8′
Borstwerk: + Sexquialtera
Pedaal: + Trompet 8′
+ Bovenpositief+Borstwerk

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in