Het Pièce d’Orgue in G (BWV 572) van Johann Sebastian Bach, gespeeld op het orgel van de Grote of Sint-Michaëlskerk in Zwolle (via Hauptwerk).

Sommige stukken kunnen je zo overrompelen dat je nooit meer vergeet wanneer je het voor het eerst gehoord hebt. Zo is het bij mij met dit stuk. De eerste keer was op een cd van Wim van Beek, opgenomen in de Martinikerk in Groningen.

Wat maakt dit stuk zo speciaal? Het begint eenstemmig met lichtvoetige gebroken akkoorden in een hoog tempo: Très vitement. Meteen daarna een overdonderend middendeel in vol orgel, vijfstemmig, breed met lange lijnen (Gravement), vol spanning en ontspanning, met regelmatig een stijgende lijn in de bas in lange noten, tegen het eind wel twee octaven lang, en tot besluit een flinke dissonant. Dan een moment stilte en vervolgens een bizar tweestemmig slotdeel. Opnieuw gebroken akkoorden, maar nu boven een bas die eerst chromatisch daalt van cis naar d en vervolgens een steeds herhaalde d laat horen, wat een heel speciaal effect geeft, vooral als je het pedaal flink laat donderen met de Bazuin 16′. Soms wordt dit deel in een zachte registratie gespeeld, maar volgens mij gaat dan een groot deel van het effect verloren.

Het tempo van dit laatste deel is Lentement, maar omdat het wel tweeënderdigste noten zijn, voelt het toch als een hoog tempo. Ik denk dat het correct is om de tweeënderdigsten uit het laatste deel ongeveer even snel te spelen als de zestienden uit het eerste deel. Er bestaat namelijk ook een duidelijke symmetrie tussen die beide delen. Beiden duren ongeveer even lang, in beiden gaat het om groepjes van zes snelle noten (12/8-maat respectievelijk sextolen), beiden eindigen op een hoge noot waarna vervolgens eerst alleen een noot in het pedaal klinkt. In het derde deel is dat het begin van het slot waarbij een aantal toonladders uitlopen op het slotakkoord.

Opmerkelijk is natuurlijk ook dat dit stuk een Franse titel en Franse tempo-aanduidingen heeft. Blijkbaar is het geïnspireerd op Franse orgelmuziek. Het is bekend dat Bach die kende en bestudeerde. Er wordt wel gezegd dat het middendeel gespeeld moet worden in een Franse Plein Jeux-registratie, dus met vulstemmen, maar zonder tongwerken. Maar op een Noordduits-barokorgel met tegenwoordig een neo-barokke, scherpe klank, klinkt dat niet. Daar heb je de tongwerken gewoon nodig om voldoende body te krijgen zonder dat het al te scherp wordt.

Ook opvallend is dat Bach in het middendeel ergens een lage b noteert die op vrijwel geen orgel zo te spelen is. Je moet die dus eigenlijk altijd een octaaf hoger spelen. Dit is een van de momenten waarop je de indruk krijgt dat Bach zijn muziek soms niet in de eerste plaats schreef om daadwerkelijk uit te voeren, maar meer als een intellectuele exercitie, waarbij hij de schoonheid niet zocht in de realiteit, maar in een fictief ideaal. Aan de andere kant: deze lage b klinkt in maat 94 en dat is maat 66 van het middendeel. Is er een verband met de groepjes van 6 in de beide hoekdelen? Je zou haast denken dat het getal 6 in dit stuk een speciale betekenis heeft. Maar dat is niet meer dan speculatie.

Dit stuk is ook wel bekend onder de titel Fantasia, maar voor zover ik heb kunnen nagaan is er geen enkel handschrift waarin die titel voorkomt. Blijkbaar is het een verzinsel van de eerste uitgevers van Bachs orgelmuziek in de negentiende eeuw.

Registratie:
Hoofdwerk: Praestant 16′, Octaav 8′, Roerfluit 8′, Octaav 4′, Nasaat 3′, Superoctaav 2′, Ruijschpijp, Trompet 16′, Trompet 8′
Bovenpositief: Praestant 8′, Quinta 6′, Octaav 4′, Quinta 3′
Borstwerk: Fluitgedekt 8′, Praestant 4′, Superoctaav 2′, Quintanus 1½
Pedaal: Praestant 16′, Octaav 8′, Superoctaav 4′, Mixtuur, Basuin 16′
Hoofdwerk+Bovenpostief, Hoofdwerk+Borstwerk, Bovenpositief+Borstwerk, Pedaal+Hoofdwerk

Gravement:
Bovenpositief: + Scherp
Borstwerk: + Mixtuur, Sexquialtera

Lentement:
Borstwerk: – Mixtuur
Pedaal: – Mixtuur

Maat 200:
Borstwerk: + Mixtuur
Pedaal: + Mixtuur

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in