De koraalbewerking over Nun laßt uns den Leib begraben (BWV 1111) van Johann Sebastian Bach, gespeeld op het orgel van de Grote of Sint-Michaëlskerk in Zwolle (via Hauptwerk).

Nun laßt uns den Leib begraben;
daran wir kein Zweifel haben,
er wird am jüngsten Tag aufstehn
und unverweslich hervorgehn.

Een lied voor een begrafenis. Somber? Nou, nee. Het is vooral een lied over de hoop die christenen hebben bij een begrafenis, omdat het lichaam dat begraven wordt op de laatste dag weer zal opstaan. Daarom kan hier zelfs plaats zijn voor uitbundigheid.

Bach laat dat dan ook horen. Het stuk begint met een rustige fughetta over de eerste regel. Daarna een kortere fughetta over de tweede regel, waarbij het thema begeleid wordt door een beweeglijk tegen-thema. Dan volgen de laatste twee regels, waarbij de melodie verstopt raakt in de uitbundige versieringen en waarbij een opvallende stijgende beweging de opstanding uitbeeldt.

Registratie:
Hoofdwerk: Octaav 8′
Rugwerk: Praestant 8′
Hoofdwerk+Rugwerk

Maat 20:
Rugwerk: + Octaav 4′

Maat 30:
Hoofdwerk: + Octaav 4′, Ruijschpijp

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in