De koraalbewerking over Hilf, Gott, daß mir’s gelinge (BWV 624) van Johann Sebastian Bach, gespeeld op het orgel van de Grote of Sint-Michaëlskerk in Zwolle (via Hauptwerk).

Hilf, Gott, daß mir gelinge,
du edler Schöpfer mein,
die Silben reimen zwingen
zu Lob den Ehren dein!
Daß ich mag fröhlich heben an
von deinem Wort zu singen,
Herr, wöllest mir beistahn!

Een ballade over het lijden van Christus, geschreven tijdens gevangenschap in de tijd van de Reformatie. Dit lied is dan ook bedoeld om de luisteraar moed in de spreken en daarom zet het eerste vers in met een lichtvoetige vrolijkheid.

Bach laat dat horen door de constante triolen-beweging in de linkerhand die een groot deel van het klavier omspant en soms ver boven de melodie uitkomt. Die melodie klinkt in de rechterhand in canon.

Registratie:
Bovenpositief: Holpijp 8′, Woudfluit 2′
Borstwerk: Fluitgedekt 8′, Praestant 4′, Sexquialtera
Pedaal: Subbas 16′, Holpijp 8′

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in