De koraalbewerking over Christ lag in Todes Banden (BWV 718) van Johann Sebastian Bach, gespeeld op het orgel van de Grote of Sint-Michaëlskerk in Zwolle (via Hauptwerk).

Christ lag in Todes Banden
Für unsre Sünd gegeben,
Er ist wieder erstanden
Und hat uns bracht das Leben;
Des wir sollen fröhlich sein,
Gott loben und ihm dankbar sein
Und singen halleluja,
Halleluja!

Een lied dat begint bij Jezus’ dood. Rustig, tweestemmig met de melodie vol versieringen. Maar het is een Paaslied. Bij derde regel, als de opstanding ter sprake komt, worden de versieringen al een stuk vrolijker. En er komen stemmen bij.

Maar bij regel vijf verandert het stuk totaal van karakter. Nu breekt de vrolijkheid echt los. Het tempo gaan omhoog: allegro. Elke regel wordt nu op een eigen uitbundige manier uitgewerkt. In regel zes wordt gebruik gemaakt van triolen en in regel zeven van echo-effecten. In de laatste regel keert de tweestemmigheid terug. In beide stemmen klinkt de melodie van het halleluja, voordat het nog een keer uitkomend in het pedaal klinkt. Het slot is abrupt en verrassend: de bovenstem maakt voor de laatste noot opeens een sprong van twee octaven naar beneden.

Kortom, een echte grillige Noord-Duitse koraalfantasie.

Registratie:
Hoofdwerk: Octaav 8′, Speelfluit 4′
Bovenpositief: Holpijp 8′, Octaav 4′, Quinta 3′
Borstwerk: Fluitgedekt 8′, Praestant 4′, Quintanus 1 1/2′
Pedaal: Praestant 16′, Octaav 8′, Trompet 8′

Maat 24:
Hoofdwerk: + Superoctaav 2′
Bovenpositief: + Superoctaav 2′, Tertiaan

Maat 61:
Hoofdwerk: – Superoctaav 2′, + Roerfluit 8′, Ruijschpijp
Bovenpositief: + Praestant 8′
+ Bovenpositief+Borstwerk

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in