De beelden en verhalen die de wereld overgaan van de gruwelijke misdaden die in het Midden-Oosten bedreven worden door de mensen van de zogenaamde Islamitische Staat (IS), gaan je als christen niet in de koude kleren zitten. Vooral niet omdat vaak mede-christenen het slachtoffer zijn. Wat daar gebeurt, ervaar je als christen gemakkelijk als een aanval op jezelf. Tenminste, ik wel. Stel dat ik daar woonde? Stel dat zoiets hier ook zou gebeuren?

Nu proef ik onder christenen hier in Nederland zo nu en dan heftige emoties richting IS. Haatgevoelens. Wraakgevoelens. Begrijpelijk natuurlijk. Menselijk. Maar is dat christelijk?

Ja, zeggen sommigen. Als christen moet je je vijanden liefhebben, zeker. Maar dat geldt alleen voor je eigen vijanden. Gods vijanden mag, nee, moet je haten. Dat is bijbels. Kijk maar:

‘O God, breng de goddeloze om!
Mannen van bloed, ga weg van mij.
Want met listige plannen spreken zij over U
en zij zetten Uw vijanden aan  tot valsheid.
Zou ik niet haten, HEERE, wie U haten,
walgen van wie tegen U opstaan?
Ik haat hen met een volkomen haat,
mijn eigen vijanden zijn het.’ (Psalm 139: 19-22)

Dit lijkt regelrecht van toepassing op IS. Maar mag je deze tekst zo toepassen? Is het terecht om op grond van deze tekst de mensen van IS te haten en te bidden om hun ondergang?

Wij weten niet wie echt Gods vijanden zijn

Om te beginnen moeten we wel bedenken dat de genoemde tekst uit het Oude Testament komt. Niet dat het Oude Testament niet meer geldt. Maar het is wel een andere context dan waarin wij nu leven. Sinds de uitstorting van de Heilige Geest met Pinksteren is het heil voor alle volkeren op aarde. In principe komt iedereen in aanmerking om gered te worden. Vóór dat moment lag dat anders. Alleen het volk Israël was door God uitverkoren om te delen in zijn heil. En alle andere volkeren waren zijn vijanden. Vandaar dat God in het Oude Testament zo nu en dan expliciet opdracht gaf om een bepaald volk uit te roeien. En het volk Israël gehoorzaamde daaraan. Gods vijanden waren Israëls vijanden. Dat was duidelijk.

Maar sinds Pinksteren is dat helemaal niet meer zo duidelijk. Om twee redenen. In de eerste plaats omdat nu iedereen in aanmerking komt om gered te worden. En in de tweede plaats omdat God geen duidelijke openbaringen meer geeft wie zijn vijanden zijn en wie uitgeroeid moet worden. Dat betekent dus dat we in principe alle mensen als potentiële kinderen van God moeten beschouwen. Iedereen kan tot bekering komen. Inderdaad, niet iedereen komt tot bekering. Maar wij weten niet wie wel en niet tot bekering komt. Dat weet God alleen.

Christenen die zeggen dat je IS moet haten, komen vaak met het argument dat Jezus ook niet iedereen liefhad. Kijk maar eens hoe fel Hij uitvoer tegen de farizeeën. Of hoe hardhandig Hij optrad tegen de handelaars in de tempel. Nu kun je je afvragen of dit optreden van Jezus inderdaad bewijst dat Jezus deze mensen niet liefhad. Iemand goed de waarheid zeggen en doortastend ingrijpen kan immers ook heel liefdevol zijn. Iemand op zijn fouten wijzen is altijd liefdevoller dan hem ongehinderd zijn ondergang tegemoet laten gaan.

Maar zelfs al zou het waar zijn dat Jezus de farizeeën niet liefhad, we moeten wel bedenken dat wij Jezus niet zijn. Jezus kon in het hart kijken van de farizeeën. En Hij wist wie uitverkoren was en wie niet. Kortom, Hij wist wie zich zou bekeren en wie niet. Hij wist wie echt Gods vijanden waren en wie uiteindelijk toch Gods kinderen zouden blijken te zijn. Wij weten dat allemaal niet.

Wij weten alleen dat elke zonde vergeven kan worden. Ook alle zonden die in het Midden-Oosten bedreven worden door IS. De enige zonde die niet vergeven kan worden, is de zonde tegen de Heilige Geest (Mattheüs 12:31-32). Dat is een opzettelijke vijandschap tegen God, tegen beter weten in. Maar wij weten niet wie die opzettelijke vijandschap in zijn hart draagt. Dat weet God alleen. Voorzover wij weten komt de vijandschap van IS voort uit onwetendheid over wie God werkelijk is en kan elke IS’er zich nog bekeren.

Ook je vervolgers moet je liefhebben

Maar als elke IS’er een potentiële christen is, moeten we ons er natuurlijk voor inzetten dat ze ook daadwerkelijk christen worden. Dat vraagt inzet van zendelingen. Dat vraagt ondersteuning van ons allemaal. Dat vraagt vooral gebed. En dat alles vraagt om liefde.

Jezus gebood ons om onze vijanden lief te hebben. Ook onze vijanden zijn onze naasten die we lief moeten hebben als onszelf. Maar moeten we daarbij onderscheid maken tussen onze eigen vijanden en Gods vijanden? Laten we eens precies kijken naar wat Jezus hierover zegt:

‘U hebt gehoord dat er gezegd is: U moet uw naaste liefhebben en uw vijand moet u haten. Maar Ik zeg u: Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en bid voor hen die u beledigen en u vervolgen; zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor loon hebt u dan? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? En als u alleen uw broeders groet, wat doet u meer dan anderen? Doen ook de tollenaars niet zo? Weest u dan volmaakt, zoals uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.’ (Mattheüs 5:43-48 HSV)

Ik vind het opvallend welke voorbeelden Jezus hier noemt van vijanden. Mensen die jou vervloeken en haten. Mensen die jou vervolgen. Als in het Nieuwe Testament het woord vervolgen gebruikt wordt, gaat het altijd om vervolgen omwille van het geloof. Vijanden die jou vervolgen, zijn dus vijanden die jouw vijanden zijn omdat je christen bent. Zo heeft ook Jezus zelf het woord vervolgen even eerder nog gebruikt:

‘Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, omwille van Mij. Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn.’ (Mattheüs 5:11-12 HSV)

Kun je blij zijn dat je vervolgd wordt en tegelijk je vervolgers haten? Dat lijkt me niet. Haat en vreugde gaan moeilijk samen. Dus mensen die jou vervolgen omwille van Jezus moet je niet haten. Jezus zelf bad voor degenen die Hem aan het kruis hingen: ‘Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.’ Dat is het voorbeeld dat wij moeten volgen. Doen we dat niet, dan zijn we niet beter dan de tollenaars. Niet beter dan IS.

De zonde moet je haten, maar de zondaar moet je liefhebben

Nu betekent dat niet dat we IS maar haar gang moeten laten gaan. Dat we de mensen van IS liefhebben, is niet om wat ze doen, maar ondanks wat ze doen. Wat ze doen, moeten we haten. Als christen moet je altijd onderscheid maken tussen de zonde en de zondaar. De zonde haat je. De zondaar heb je lief. De zonde bestrijd je. De zondaar probeer je te redden. IS als organisatie probeer je uit te roeien.

Helaas, de realiteit is dat dat niet zonder geweld kan. Dat betekent dat we IS’ers moeten doden. Dat is nodig om het kwaad te stoppen en meer slachtoffers te voorkomen. De overheid draagt het zwaard niet voor niets (Romeinen 13:4). Maar de drijfveer daarbij moet liefde zijn, geen haat. IS’ers die gevangengenomen worden, moeten humaan behandeld worden. Zoals wij zelf behandeld zouden willen worden.

Dat kan moeilijk zijn. Wij christenen zijn gebrekkige mensen. Mensen liefhebben die zoveel op hun geweten hebben, die zelf zo vol haat richting ons zitten, dat is vreselijk moeilijk. Onmogelijk zelfs, als God het niet geeft. Maar laten we dan bedenken dat we zelf uiteindelijk geen haar beter zijn. Ook wij zijn van nature vijanden van God! Kijk maar wat Paulus zegt:

‘Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, hoeveel te meer zullen wij behouden worden door Zijn leven, omdat wij verzoend zijn.’ (Romeinen 5:10 HSV)

Als God ons niet gered had, waren ook wij nu nog steeds zijn vijanden. Het is niet aan ons te danken dat wij geen moslimterroristen zijn. Dat moet ons nederig maken. En vanuit die nederigheid moeten we de motivatie vinden om alle mensen lief te hebben, zelfs onze vijanden, zelfs mensen die zich gedragen als vijanden van God.

Uiteindelijk komt er een moment dat God zelf zich zal wreken op zijn vijanden. Dan is het te laat voor hen om zich te bekeren. Dan zal voor iedereen duidelijk zijn wie zich niet bekeerd heeft en dus Gods vijand is. En dan zullen wij ook van harte en terecht zeggen:

‘Zou ik niet haten, HEERE, wie U haten,
walgen van wie tegen U opstaan?
Ik haat hen met een volkomen haat,
mijn eigen vijanden zijn het.’

Maar zover is het nu nog niet.

Bron foto: https://www.flickr.com/photos/ennolenze/15762014747/

6 REACTIES

  1. “Ook onze vijanden zijn onze naasten die we lief moeten hebben als onszelf.” Dit lijkt mij geen juiste bewering. In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan wordt expliciet duidelijk gemaakt dat de naaste degene is die naast ons staat; degene die om ons geeft. De Samaritaan was de enige naaste. De rest van de omstanders keek weg, was geen naaste. Dan is onze vijand dus zéker onze naaste niet ! Het veel gehoorde “iedereen is mijn naaste” is m.i. een postmoderne drogreden van jewelste. Het expliciete gebod óók de vijand lief te hebben staaft mijn bewering. Was iedereen onze naaste, dus ook de vijand, dan zou het gebod niet nodig zijn geweest. Dat gebod wordt echter wel lastig als de vijand mijn naaste naar het leven staat….

    • Sorry, maar ik vind dat je de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan op een vreemde manier uitlegt. Juist die gelijkenis laat zien dat iedereen je naaste is. Joden en Samaritanen beschouwden elkaar niet bepaald als vrienden, maar toch gedroeg de Samaritaan zich als naaste tegenover een Jood. Hij deed als vijand wat de priester en de leviet hadden moeten doen voor hun volksgenoot.

      Als Jezus de Samaritaan de naaste noemt, wil Hij dus niet zeggen dat je naaste alleen degene is die jou goed doet. Nee, Jezus wil zeggen: je moet je niet afvragen wie je naaste is. Je moet zelf naaste zijn voor iedereen die je toevallig op je weg tegenkomt en zelfs al is het je vijand.

      Trouwens, het woord naaste heeft ook niets te maken met hoe iemand zich gedraagt. In het Engels is het neighbour, buurman. Oftewel, degene die toevallig naast je woont. Mijn buurman kan mijn vijand zijn, maar ook dan is hij nog steeds mijn buurman/naaste.

      Augustinus noemt verder nog dit argument: de wet zegt (o.a.) dat je niet mag stelen. Van niemand. Niet van een vriend, maar ook niet van een vijand. Toch wordt ook dit gebod samengevat in het gebod dat je je naaste moet liefhebben als jezelf. Conclusie: iedereen, vriend of vijand, is je naaste. Calvijn haalt dit argument aan in zijn Institutie.

    • In de oud-testamentische Joodse context was een naaste iemand van de zelfde stam, van het zelfde geloof. Die mocht je geen kwaad doen. Vijanden moest je haten.

      De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan in het nieuwe testament wordt doorgaans gelezen alsof deze zou onderwijzen dat nu iedereen onze naaste is. Met name niet-christenen werpen dit christenen graag voor de voeten. Maar deze interpretatie is feitelijk een omkering van Jezus’ woorden en mist daarmee Bijbelse grond. In de gelijkenis die Jezus vertelde is niet de hulpbehoevende man de naaste van de priester of de Leviet – zoals men het verhaal graag wil lezen. Integendeel, de Samaritaan is de naaste van het slachtoffer. Want de gelijkenis eindigt met de vraag “Wie van deze denkt u, dat de naaste geweest is van hem die in handen van de rovers was gevallen?” {Lukas 10:36}. En het antwoord luidt: “Hij die hem barmhartigheid heeft bewezen” {Lukas 10:37}. In de tekst is de weldoener de naaste. De leviet en de priester hebben zich helaas (!) geen weldoener, geen naaste getoond. Naaste heeft volgens de tekst dus te maken met een handeling cq gedrag. Een vijandige buurman maakt hem uit alleen het feit dat hij naast mij woont niet mijn naaste. Als dat zo zou zijn wat zou dan de status zijn van iemand die heel veel verder woont, waar ligt de grens ? Als automatisch iedereen, dus ook mijn vijand, de status van naaste (die ik moet liefhebben als mijzelf) zou hebben dan had Jezus niet hoeven te zeggen dat ik óók mijn vijand moet liefhebben. Maar niet zoals mijzelf. Dat laatste is voorbehouden voor mijn naaste. Overigens kan mijn vijand wel mijn naaste worden….

    • ‘Naaste heeft volgens de tekst dus te maken met een handeling cq gedrag.’

      Inderdaad, maar dan niet gedrag => naaste, maar naaste => gedrag. Als Jezus vraagt: ‘Wie is de naaste geweest?’ vraagt Hij niet: ‘Wie heeft het met zijn gedrag verdiend om als naaste beschouwd te worden?’ Nee, Hij vraagt: ‘Wie heeft zich als naaste gedragen? Wie heeft met zijn gedrag laten zien dat Hij inderdaad besefte dat hij en de man langs de weg elkaars naasten zijn?’

      Dat Jezus expliciet zegt dat we ook onze vijanden lief moeten hebben, is omdat Hij daarmee het onderscheid tussen naasten en vijanden opheft. De Joden maakten inderdaad onderscheid. Vandaar dat Jezus zegt: ‘Jullie hebben gehoord dat er gezegd is: je naaste moet je liefhebben en je vijand moet je haten.’ (Mattheüs 5:43) Hij zegt dat niet omdat vijanden een andere categorie vormen dan naasten. Nee, Hij zegt dat anderen er twee aparte categorieën van maken. Maar dat keurt Jezus af door vervolgens te zeggen: ‘Maar Ik zeg jullie: heb je vijanden lief!’ (Mattheüs 5:44)

      Vervolgens vult Hij dat concreet in: bidden voor wie jou vervolgen, zegenen wie jou vervloeken, goed doen aan wie jou haten. Wat is dat anders dan: liefhebben als jezelf? Het klinkt mij haast in de oren als méér dan jezelf. En dan: ‘Want als je hen liefhebt die jou liefhebben, wat voor loon heb je dan? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? En als je alleen je broeders groet, wat doe je meer dan anderen? Doen ook de tollenaars niet zo?’ Met andere woorden: liefhebben (als jezelf) geldt niet alleen voor je broeders (de naasten volgens de Joden) of wie goed is voor jou (de naasten volgens jouw redenering). Nee, dan ben je niet beter dan de grootste zondaren. Want dan houd je je niet aan Gods geboden, samengevat in: heb je naaste lief als jezelf.

      En wat dat inhoudt, daar gaf de Samaritaan een voorbeeld van: hij behandelde de Joodse man (zijn vijand) langs de weg als zijn naaste. Zonder dat die aardig voor hem was geweest.

    • Om terug te keren tot het onderwerp ” heb je vijand lief – zelfs IS” en bijbehorende teksten.
      Te weten dat:

      -u bent niet de overheid
      -u probeert de zondaar te redden
      -u moet uw naaste lief hebben als uzelf
      -u moet wellicht uw vijand nog méér liefhebben dan uzelf

      Wanneer u de overheid niet bent, een zondaar graag wilt redden, uw naasten ( uw gezin ) moet liefhebben als uzelf maar uw vijand ( een moslim terrorist ) wellicht nog veel méér moet liefhebben dan uzelf spaart u dan gelet op het bovenstaande bij een confrontatie met de vijand het leven van uw gezin of dat van de terrorist ?

      Haat uw vijanden niet meer maar hebt hen lief; bidden, zegenen en goeddoen is m.i. een milde vorm van liefde, meer die van barmhartigheid. Er staat nu expliciet niet “als uzelf” en wie weet is dat toch met opzet.
      Liefhebben als jezelf daarentegen is de menselijk meest ultieme vorm; het leven niet willen verliezen zoals de Samaritaan niet wilde dat de Jood het leven zou verliezen.

      Wanneer u uw gezin liefhebt als uzelf maar de terrorist met de liefde van de barmhartigheid dan
      zal uw gezin u daar dankbaar voor zijn.

      In de hoop dat genoemde situatie ons bespaard zal blijven.

    • ‘u moet wellicht uw vijand nog méér liefhebben dan uzelf’

      Dat heb ik niet gezegd. Het klinkt mij zo misschien in de oren. Maar dat is omdat liefhebben als jezelf voor een mens (voor mij) zo moeilijk is.

      Wat betreft een hypothetische confrontatie tussen een terrorist en mijn gezin:
      – Je naaste is degene die op een bepaald moment je hulp nodig heeft. Op dat moment is dat dus mijn gezin.
      – Je moet altijd de kant van het recht kiezen, tegen het onrecht. Op dat moment betekent dat dus dat ik mijn gezin bescherm tegen de terrorist. Zelfs door daarbij mijn eigen leven op het spel te zetten. En desnoods, als het echt niet anders kan en met grote tegenzin, door de terrorist te doden.

      Maar stel dat na de confrontatie mijn gezin veilig is en de terrorist gewond:
      – Dan is de terrorist mijn naaste en moet ik alles doen wat ik kan om hem te helpen en zo nodig te redden. Misschien ook nu zelfs wel door mijn eigen leven daarbij op het spel te zetten als dat nodig zou zijn.

      Ik denk niet dat de Bijbel onderscheidt maakt tussen liefhebben als jezelf en barmhartigheid als een mildere vorm van liefde. Bijbelse barmhartigheid = liefhebben als jezelf. Juist tegenover vijanden wordt zichtbaar of je daar werkelijk toe bereid bent, zoals Jezus zegt in Mattheüs 5. Je vijand zegenen, hem goeddoen en voor hem bidden vraagt namelijk zelfverloochening. Je moet je boosheid loslaten. En dat lukt niet als je jezelf meer liefhebt dan die ander.

      Ik snap dat mensen dat een te hoge eis vinden. Ik zelf vaak ook. Ik vraag me zeer af of ik in een dergelijke situatie echt in staat en bereid zou zijn om te doen wat ik zou moeten doen. Maar dat is nu net de kern waar het in het evangelie om draait: Gods eisen zijn voor ons te hoog. Wij kunnen en willen niet doen wat God van ons vraagt als God zelf het ons niet geeft door ons in Christus te vernieuwen.

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in