Immanuël.

Het is een van de namen van Jezus.

‘God met ons,’ betekent het.

Het is een bekende, vaak gebruikte uitdrukking. Je komt het tegen als bede: ‘God zij met ons.’ Zo staat het bijvoorbeeld als randschrift op onze munten van twee euro. Dan is het een verzoek om hulp en bijstand. Een belijdenis dat we zonder Gods hulp niets kunnen beginnen. We zijn afhankelijk van zijn zegen. Ook in ons kopen en verkopen, in onze dagelijkse pogingen om brood op de plank te krijgen. Rijkdom en armoede, we krijgen het uit zijn hand.

Je komt het ook tegen als een feitelijke vaststelling: ‘God is met ons.’ Ook dat kan een belijdenis zijn. We vertrouwen erop dat God ons inderdaad helpt. Dat we zijn zegen zeker krijgen. Maar het kan ook zomaar een claim worden. Hoeveel oorlogen zijn er niet gevoerd vanuit de overtuiging dat God aan ‘onze’ kant stond? Soms terecht. Wie opkomt voor waarheid en recht, mag weten dat God hem bijstaat. Maar ook de Duitse soldaten in de Tweede Wereldoorlog streden onder het motto: ‘Gott mit uns’.

Wij mensen denken zo gemakkelijk dat we God in onze zak hebben.

Dat onze kijk op waarheid en recht samenvallen met Gods normen voor waarheid en recht. Of dat God altijd aan onze kant staat omdat we nu eenmaal zijn volk, zijn kerk, zijn kinderen zijn. En dat Hij ons dus altijd helpt zoals wij willen. Dan gaan we God zomaar naar onze hand zetten. Dan dwingen we Hem om voor ons partij te kiezen.

Dat deed het volk Israël ook in een oorlog met de Filistijnen. Die oorlog verliep niet zoals ze gehoopt hadden. Ze werden door de Filistijnen verslagen. Had God partij gekozen voor de verkeerde kant? Wat nu?

Toen het volk in het kamp teruggekomen was, zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft de HEERE ons vandaag vóór de Filistijnen verslagen? Laten wij vanuit Silo de ark van het verbond van de HEERE bij ons nemen, en laat die in ons midden komen, opdat die ons zal verlossen uit de hand van onze vijanden. (1 Samuël 4:3 HSV)

Ze dachten dat ze de oplossing hadden: door de ark mee te nemen in het leger, konden ze God dwingen om hun kant te kiezen.

Het volk Israël haalde God naar beneden.

Ze hadden er niet genoeg aan te weten dat God hen om een onzichtbare manier bijstond. Ze wilden Hem fysiek, zichtbaar en tastbaar in hun midden hebben. Als één van hen, zij aan zij meestrijdend.

Was dat teveel gevraagd?

In dit geval wel. Ze weigerden om God te dienen zoals Hij gediend wilde worden. Ze weigerden zich te bekeren en Gods geboden te gehoorzamen. In plaats daarvan wilden ze God dwingen tot gehoorzaamheid aan hen. Ze dachten te klein van God. Ze pinden Hem vast aan de ark en dachten dat ze vrij over Hem konden beschikken.

Maar God laat niet over zich beschikken en ze verloren opnieuw. De ark werd buitgemaakt door de Filistijnen.

En toch.

Toen de engel aan Jozef vertelde dat Jezus de vervulling zou zijn van de Immanuël-belofte, bedoelde hij juist dit:

God komt naar beneden om ons te verlossen.

Van onze vijanden?

Dat was wel de context waarin de Immanuël-profetie oorspronkelijk klonk. Juda, het tweestammenrijk, werd bedreigd door de koning van Aram. En die koning van Aram had Efraïm, het tienstammenrijk, als bondgenoot! Koning Achaz was doodsbang. Aan wiens kant zou God nu staan? Voor wie zou Hij partij kiezen?

De profeet Jesaja heeft dan een bemoedigende boodschap. De opzet van Aram en Efraïm zal niet slagen. Vraag maar een teken, zegt Jesaja. Nee, Achaz wil geen teken. Hij wil God niet op de proef stellen. Dat mag immers niet? Maar Jesaja wordt boos. God biedt hem immers zelf een teken aan! Dan is weigeren ongeloof. Maar hij krijgt het teken toch:

Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven. Boter en honing zal Hij eten, totdat Hij in staat is het kwade te verwerpen en het goede te kiezen. Voorzeker, voordat de jongen in staat is het kwade te verwerpen en het goede te kiezen, zal het land verlaten zijn, namelijk het land van de twee koningen voor wie u in angst verkeert. (Jesaja 7:14-16 HSV)

Vormt het kind dat geboren wordt dus een teken dat God partij kiest voor Juda en tegen Efraïm? Nee, dat niet. Juda is net zo ongehoorzaam, net zo ongelovig als Efraïm. Efraïm wordt straks in ballingschap gevoerd door de koning van Assur. Maar diezelfde koning zal ook Juda binnendringen:

Hij dringt door tot in Juda, overspoelt het, trekt er doorheen,
hij reikt tot aan de hals,
en zijn uitgebreide vleugels
zullen de volle breedte van Uw land innemen, Immanuel!
(Jesaja 8:8 HSV)

Wat heb je dan aan zo’n teken?

Maar Jesaja’s profetie gaat verder. Er zal toch verlossing komen. Het volk zal in het donker een groot licht zien. Er zal een vrede komen die verder gaat dan een verlossing van aardse vijanden. Het teken van het Immanuëlkind heeft een veel diepere betekenis dan alleen verlossing voor Juda van zijn vijanden in de tijd van Achaz en Jesaja. Want het kind dat geboren zal worden, krijgt nog andere namen, die niets aan duidelijkheid te wensen over laten:

Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
(Jesaja 9:5 HSV)

Het gaat dus niet om zomaar een gewoon mensenkind. Er zal nog een ander kind geboren worden, in de verdere toekomst.

Een kind geboren uit een maagd: dat verwijst naar het kind van Maria.

Dit keer is de moeder echt een maagd. Dit kind is verwekt zonder dat er een aardse vader aan te pas is gekomen. Jozef heeft het daar moeilijk mee. Mag hij nu wel met Maria trouwen? Mag hij doen alsof hij de vader is van dit wonderkind, deze Zoon van God zelf?

Ja, zegt de engel tegen hem. Hij hoeft niet bang te zijn. Jozef moet juist als vader dit kind een naam geven:

Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, bij u te nemen, want wat in haar ontvangen is, is uit de Heilige Geest; en zij zal een Zoon baren, en u zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. (Mattheüs 1:20-21 HSV)

Het wordt haast een refrein. Twee keer bij Jesaja: ‘zij zal hem Immanuël noemen.’ En: ‘men zal hem noemen …’ En nu de engel tegen Jozef: ‘jij zult Hem Jezus noemen.’ Nog weer een andere naam. ‘Verlosser,’ betekent het.

Nu is Jezus natuurlijk een Griekse naam. Maar het is eigenlijk de Hebreeuwse naam Jeshua (Jozua). En het kan ook als zelfstandig naamwoord gebruikt worden: ‘heil’ of ‘verlossing’. En het Oude Testament staat vol met dat woord. Hoe vaak lees je niet: ‘God is mijn heil.’ Of: ‘God is mijn verlosser.’

Dus: Jahweh is mijn Jeshua. God is mijn Jezus.

En eigenlijk is de naam Joshua (Jozua of Jezus) een verkorte versie van Jehoshua. En dat is nu net die complete uitdrukking: ‘Jahweh verlost.’ Of: ‘Jahweh de verlosser.’

Dat het kind van Maria deze naam krijgt, laat dus zien dat dit kind God zelf is die komt om te verlossen. Maar, zegt de engel, daaruit blijkt dat dit kind de ware Immanuël is! Want de engel citeert die eerste naamgeving:

Dit alles is geschied opdat vervuld werd wat door de Heere gesproken is door de profeet, toen hij zei: Zie, de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren, en u zult Hem de naam Immanuel geven; vertaald betekent dat: God met ons. (Mattheüs 1:22-23 HSV)

Dit kind is dus niet alleen maar een wonderkind, een Zoon van God. Het is tegelijk ook wel degelijk een gewoon mensenkind, een ‘zoon des mensen’.

God met ons.

Dat is meer dan dat God ons bijstaat of onze kant kiest. Het voorzetsel meta – ‘met’ – heeft in het Grieks een diepere betekenis. God komt in ons midden. Hij komt onder ons wonen (Johannes 1:14). Hij stelt zichzelf op één lijn met ons. Hij wordt een van ons.

Dat is nodig. Hij komt ons verlossen. Niet van onze vijanden, maar van onze zonden. Dat kan Hij alleen. En dat kan Hij alleen doen als mens.

Als een echt mens, net zo menselijk als wijzelf.

Zondag 6 van de Heidelbergse Catechismus legt dat duidelijk uit. Waarom moet de middelaar echt mens zijn? Omdat alleen een mens de schuld van de mens kan betalen. Engelen kunnen dat niet. Dieren kunnen dat niet. Geen enkel ander schepsel dan de mens zelf. Waarom moet die middelaar tegelijk ook God zijn? Omdat een gewoon mens de last van Gods toorn niet kan dragen. Die last is te zwaar en gaat de kracht van een schepsel te boven. Laat staan een zondig schepsel.

De enige manier waarop wij mensen verlost kunnen worden van onze zonden is dus dat God zelf mens wordt.

Dat was een grote vernedering voor Hem! Toch heeft Hij het vrijwillig gedaan. Gods Zoon heeft vrijwillig afstand gedaan van zijn goddelijke majesteit. Hij heeft zich ‘leeg gemaakt’ en is een slaaf geworden. Als een slaaf heeft Hij zijn Vader gehoorzaamd. Hij heeft zich volmaakt aan de wet gehouden, zonder te zondigen. En Hij heeft de straf gedragen die wij God schuldig waren: de doodstraf, als een vervloekte aan het hout. Pas daarna heeft de Vader Hem verheven tot de hoogste positie, boven alle mensen en alle schepselen in hemel en op aarde (Filippenzen 2:5-11).

God zelf die als een gewoon, arm mensenkind in een voerbak ligt. Dát is kerst.

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in