Farizeeërs, daar heeft iedereen een hekel aan. Farizeeërs zijn starre mensen die van regels houden. Het zijn betweters die zichzelf beter voelen dan een ander. Die overal kritiek op hebben, maar zelf niet tegen kritiek kunnen. Farizeeërs, dat zijn we niet zelf, maar we kennen ze allemaal. In elke kerkelijke gemeente kun je ze zo aanwijzen. In elke discussie op internet over geloofszaken kom je ze tegen.

‘Farizeeër’ is een scheldwoord dat je zomaar om je oren geslingerd kunt krijgen als je kritiek uit op mede-christenen. Maar weten we wel echt wat een farizeeër eigenlijk is?

Ik denk dat ons beeld van de farizeeër die oordeelt over anderen en zichzelf beter voelt vooral gebaseerd is op de gelijkenis van Jezus over de farizeeër en de tollenaar. Het verhaal is heel bekend. Een farizeeër en een tollenaar staan samen in de tempel.

‘De Farizeeër stond daar en bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U dat ik niet ben zoals de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers of ook als deze tollenaar. Ik vast tweemaal per week. Ik geef tienden van alles wat ik bezit. En de tollenaar bleef op een afstand staan en wilde ook zelfs zijn ogen niet naar de hemel opheffen, maar sloeg op zijn borst en zei: O God, wees mij, de zondaar, genadig.’ (Lucas 18: 11-13 HSV)

We denken vaak dat de grote fout van de farizeeër is dat hij zich beter voelt dan anderen en dan speciaal als die tollenaar. En dat is inderdaad een grote fout. Maar is dat de fout waar het hier om gaat?

Om te beginnen is hier iets opmerkelijks aan de hand. De farizeeër dankt God. Dat is toch mooi? Je mag, nee moet God toch danken voor alles wat goed en mooi is? En het is toch mooi dat die farizeeër geen rover is en geen ontuchtpleger? En het is toch helemaal mooi dat hij blijkbaar beseft dat dat niet zijn eigen verdienste is? Want anders zou hij God er niet voor danken. Dan zou hij niet zeggen: ‘Dank u God dat ik niet zo ben!’ Nee, dan zou hij zeggen: ‘Bent u niet blij met mij, omdat ik niet zo ben?’

Zelf ben ik ook dankbaar dat ik geen misdadiger ben. Ik ben geen moordenaar, geen dief, geen bedrieger, geen verkrachter, geen ontuchtpleger, geen overspelige, geen dronkaard, geen noem maar op. En ik ben God daar diep dankbaar voor. Ik besef dat het heel anders had kunnen lopen, in andere omstandigheden. Stel je bijvoorbeeld eens voor dat ik geen christelijke opvoeding had gehad! Ben ik daarmee een farizeeër?

Dat hangt ervan af. Ik moet niet denken dat het met mij dus allemaal wel goed zit omdat ik christen ben en al die dingen niet ben, die ik net genoemd heb. Want als ik mijn leven goed tegen het licht houdt – tegen het licht van Gods wet – dan ontdek ik dat ik al die dingen toch eigenlijk wel ben. Soms zit het diep weggestopt in je hart. Soms komt het opeens aan de oppervlakte. Hatelijke gedachten over een ander, een scheldwoord dat je ontvalt: moord. Eventjes de waarheid een klein beetje verdraaien, of iets verzwijgen: bedrog. Een ander wel helpen, maar eigenlijk met tegenzin: diefstal. Je ogen net iets langer dan nodig is laten rusten op een mooie vrouw: overspel.

Kijk, dat is nu waar die farizeeër de plank finaal misslaat. De farizeeër kijkt alleen naar de buitenkant en vergeet de binnenkant. Hij denkt dat hij er is als hij voor het oog aan alle regels voldoet. Als niemand hem kan betrappen op een duidelijke overtreding. Als hij een paar mooie dingen kan laten zien die hij voor God en zijn naaste doet. Hij beseft niet dat God alleen tevreden is met volmaaktheid. En hij beseft niet dat die volmaaktheid allereerst inhoudt dat je hart volledig aan God gewijd is. Dat je God liefhebt met alles wat in je is en dat er in je gedachten geen greintje zondig verlangen te vinden is.

Maar aan die norm kunnen we geen van allen voldoen. De farizeeër niet, maar ik ook niet. Er is iets anders nodig. Dat blijkt als we naar de tollenaar kijken.

Als de farizeeër naar de tollenaar kijkt, kijkt hij weer alleen naar de buitenkant. En dan slaat hij de plank opnieuw mis. De fout van de farizeeër is niet dat hij God dankt dat hij geen tollenaar is. De fout is dat hij God dankt dat hij niet is zoals deze tollenaar. Hij ziet hem daar staan, een medemens. En als hij die tollenaar ziet, ziet hij een mens met wie het helemaal mis is. Logisch dat die tollenaar niet dichterbij durft komen. Logisch dat hij niet op durft kijken, maar zich alleen van verdriet op de borst slaat. De farizeeër snap dat allemaal. Maar verder kijkt hij niet. Voor de tollenaar is er geen hoop meer, denkt hij. Het kan voor hem niet bestaan dat God deze tollenaar acceptabel vindt.

Maar dat is een heel verkeerde taxatie! Want God kijkt niet naar de buitenkant. God kijkt naar de binnenkant. En dan maakt het niet uit dat deze tollenaar een veelvoudige dief is die grote sommen buitgemaakt heeft door anderen af te persen, terwijl de farizeeër misschien wel grote sommen heeft weggegeven aan de armen. Want God ziet twee harten die even zondig zijn. Alleen heeft de tollenaar een hart dat vol is van berouw. Een nederig hart dat zijn eigen fouten kent. Een hart dat beseft dat het niets heeft waar God blij mee kan zijn, dat het voor God niet kan bestaan. Dat het van genade moet leven. En dat is nu juist waar God wel blij mee is.

Uiteindelijk is dat volgens mij de les van deze gelijkenis: we zijn veel zondiger dan we zelf wel beseffen. Alleen Gods genade kan ons redden. En Gods genade zal ons ook redden. Want wat zegt Jezus?

‘Ik zeg u: Deze man ging gerechtvaardigd terug naar zijn huis, in tegenstelling tot die andere. Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.’ (Lucas 18:14 HSV)

Het gaat er hier dus niet in de eerste plaats om dat ik me niet beter moet voelen dan een ander. Het gaat er vooral om dat ik me niet beter moet voelen dan ik ben. Ik moet mezelf niet te gauw beschouwen als een rechtvaardige, als iemand die in Gods ogen onschuldig is. Ik moet beseffen dat mijn rechtvaardigheid, mijn onschuld een gratis geschenk is. We leven alleen van genade.

Natuurlijk mag ik dankbaar zijn voor die genade. Ik mag dankbaar zijn dat ik die genade ken, waar zoveel andere mensen die genade niet kennen. Maar als ik naar andere mensen kijk, moet ik oppassen, ook als ik op een ander (terecht?) kritiek heb of als een ander (onterecht?) kritiek heeft op mij. Ik moet me niet laten misleiden door de buitenkant. Ik moet proberen te kijken naar de binnenkant. Kent die ander Gods genade? Dat is de vraag waar het om draait.

1 REACTIE

  1. Bedankt voor de uitleg, ik probeer adhv Gustave Doré’s platen de bijbelverhalen te snappen. Als telg uit een katholiek nest hield het geloven al voor mij op, uit principe vind ik dat ik m’n steentje moet bijdragen aan het behoud van een fundament. Wat is een joods- christelijke samenleving in de praktijk, als de kerken afgebroken zijn voor moskeeën en we bv de helft van Rembrandts schilderijen niet begrijpen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in