Berijming van Psalm 109

0
28

Voor de koorleider. Van David. Een psalm.

  1. God die ik loof, blijf toch niet zwijgen
    nu goddelozen mij bedreigen.
    Hun mond gaat open om te liegen.
    Hun tong roert zich om te bedriegen.
    Bestookt word ik met haat en nijd,
    maar waarom voeren zij zo’n strijd?
  2. Ik bad nog wel voor hen uit liefde.
    Was dat wat hen in mij zo griefde?
    Mijn goed heeft men met kwaad vergolden.
    Zij hebben hard op mij gescholden
    en komen met een aanklacht aan.
    Ze willen mij niet laten gaan.
  3. U kunt een slechte man opdragen
    om ook mijn vijand aan te klagen.
    Laat hem niet worden vrijgesproken,
    want zo wordt al zijn schuld gewroken.
    En luister niet naar zijn gebed,
    dat zo met zonde is besmet.
  4. Maak snel een einde aan zijn leven.
    Zijn ambt mag men een ander geven.
    Maak van zijn kinderen maar wezen.
    Zijn weduwe mag eenzaam vrezen
    dat zij voor hen geen eten vindt.
    Van honger bedelt dan haar kind.
  5. Schuldeisers mogen alles nemen
    wat nog niet is geroofd door vreemden.
    Laat niemand ooit nog aan hem denken
    of aan zijn wezen liefde schenken.
    Die mogen allemaal vergaan.
    Laat zelfs hun naam niet meer bestaan.
  6. De zonden die zijn ouders deden,
    het onrecht uit een ver verleden,
    mag God vergeten noch vergeven,
    maar nu nog wreken in zijn leven.
    Want hij die niemand liefde gaf,
    nam armen zelfs hun leven af.
  7. Hij hield van vloek en niet van zegen.
    Kom hem dus met uw vloek maar tegen!
    Wilt U hem tegenslagen schenken
    als water dat hem zal doordrenken?
    Ja, wilt U hem met vreeslijk leed
    omhullen als was het zijn kleed?
  8. Wilt U, HEER, zo het werk belonen
    van hen die mij met laster honen?
    Red om uw naam mij van hun daden,
    want groot en rijk is uw genade.
    Ellendig zit ik aan de grond.
    Mijn hart is dodelijk verwond.
  9. Een schaduw ben ik die vervaagd is,
    een sprinkhaan die meteen verjaagd is.
    Ik heb geen vet meer op mijn botten.
    Meewarig blijft men mij bespotten.
    Help! Red mij, HEER, dan weten zij:
    U doet het, uw hand maakt mij vrij!
  10. Laat hen maar vloeken, geef mij zegen!
    Werk ieder die mij aanvalt tegen.
    Zij staan beschaamd, maar ik zal vrij zijn.
    Ook zal uw dienaar dan heel blij zijn.
    Hul in zijn schande als zijn kleed
    wie mij zo onterecht bestreed.
  11. Luidkeels zal ik de HEER dan prijzen,
    met velen Hem mijn eer bewijzen.
    Want Hij staat armen trouw terzijde,
    verdedigt wie hier onrecht lijden.
    Veroordeelt men hen tot de dood,
    dan nog redt Hij hen uit die nood.

Deze psalmberijming is een project in uitvoering. Ik probeer regelmatig een nieuwe psalm te plaatsen, maar ik heb geen idee hoe vaak dat gaat lukken en ook niet of dit project ooit afkomt.

Psalmen zijn natuurlijk bedoeld om te zingen, dus ik heb er geen bezwaar tegen als dat gebeurt. Wel zou ik het leuk vinden om dat dan ook te weten.

En ik zou je willen vragen deze berijming niet verder te verspreiden zonder mijn toestemming en nooit zonder bronvermelding.

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in