
- Loof God de HEER – zijn naam is heilig!
Roep die naam aan, dan ben je veilig.
Zing, zodat ieder volk het weet
hoe grote wonderen Hij deed.
Wat fijn als je zijn naam ook kent!
Wees blij als je graag bij Hem bent. - Zoek elke dag weer Gods nabijheid.
Vraag Hem om hulp – Hij geeft ons vrijheid.
Besef: Hij is zo groot en sterk!
Denk aan zijn wonderen, zijn werk.
De plagen die Hij had voorzegd,
gebeurden echt – zo deed Hij recht. - Wij die tot Israël behoren,
zijn door de HEER zelf uitverkoren.
Abrahams kinderen zijn wij.
Aan hem beloofde God dat Hij,
die recht doet – altijd, overal –
voor eeuwig onze God zijn zal. - Nooit zal Hij zijn verbond vergeten.
Een lange generatieketen
ervaart zijn trouw – Hij houdt zijn eed,
die Hij destijds aan Izak deed:
‘Het land dat Ik beloofd heb, is
voor eeuwig Jakobs erfenis.’ - Eerst waren zij daar vreemdelingen,
een handjevol slechts, en zij gingen
van volk naar volk de landen door.
Maar God hield daar de vorsten voor:
‘Geen mens raakt mijn gezalfden aan!
Laat mijn profeten veilig gaan.’ - Toen God de honger had gezonden
en er geen brood meer werd gevonden,
had Hij eerst voor zijn volk gezorgd,
want Jozef was als slaaf verkocht.
Lang zat hij in gevangenschap,
totdat Gods woord hem vrijheid gaf. - Als Jozef uitleg gaf van dromen
bleek alles ook zo uit te komen.
Dus liet de farao hem vrij.
Diens onderkoning zelfs werd hij.
De hoogste dienaars van de staat
luisterden naar zijn wijze raad. - Zo kwamen Jakob en zijn zonen
als vreemden in Egypte wonen.
God gaf hun daar veel kinderen.
Geen list kon dat verhinderen.
Gods volk werd Chams geslacht te sterk,
dus dwong men het tot slavenwerk. - Toen zond de HEER zijn dienaar Mozes.
Aäron werd door Hem gekozen.
Zij kondigden de plagen aan
die heel Egypte moest doorstaan.
De dag werd donker als de nacht.
Het land moest buigen voor Gods macht. - Water werd bloed – ’t was niet te drinken,
maar ging naar dode vissen stinken.
Er bleef geen plek van kikkers vrij.
Zelfs in paleizen kwamen zij.
God sprak – de muggen staken al,
steekvliegen waren overal. - De hagel geselde de landen
en bliksemschichten stichtten branden.
Er bleef geen vijgenboom meer staan,
ja, elke wijnstok ging eraan.
God sprak – een sprinkhaanzwerm dook neer.
Toen stond er zelfs geen sprietje meer. - God sloeg Egyptes oudste zonen.
Toen wilde men het volk belonen
als zij maar vlug weg wilden gaan.
Men bood hun goud en zilver aan.
God zelf gaf hun die rijke buit
en leidde hen Egypte uit. - Gods wolk gaf schaduw tegen hitte,
terwijl zijn vuur hen ’s nachts verlichtte.
Hij wierp hun kwartels in de schoot
en voedde hen met hemels brood.
Met water uit een rotssteenwand
doordrenkte Hij het droge zand. - God had zijn heilig woord gegeven
en is dat woord ook trouw gebleven.
Hij deed wat Hij had toegezegd
aan vader Abraham, zijn knecht:
zijn uitverkoren volk was vrij
en blij en dankbaar juichten zij. - Hij gaf zijn volk de heidenlanden
met al hun schatten vast in handen.
Daar moesten zij dan nauwgezet
zich houden aan Gods goede wet
en altijd leven tot zijn eer.
Halleluja, loof God de HEER!
Deze psalmberijming is een project in uitvoering. Ik probeer regelmatig een nieuwe psalm te plaatsen, maar ik heb geen idee hoe vaak dat gaat lukken en ook niet of dit project ooit afkomt.
Psalmen zijn natuurlijk bedoeld om te zingen, dus ik heb er geen bezwaar tegen als dat gebeurt. Wel zou ik het leuk vinden om dat dan ook te weten.
En ik zou je willen vragen deze berijming niet verder te verspreiden zonder mijn toestemming en nooit zonder bronvermelding.




















