9.6 – Het verband tussen onmededeelbare en mededeelbare eigenschappen

0
27

Maar het is waar, aan deze onmededeelbare eigenschappen hebben we niet genoeg. Wat zou het ons baten te weten dat God onafhankelijk en onveranderlijk, eeuwig en alomtegenwoordig is, als we daarbij de kennis moesten ontberen dat Hij barmhartig en genadig is en groot in goedertierenheid? De onmededeelbare eigenschappen lichten ons wel in over de manier waarop alles wat in God is in Hem bestaat. Maar ze laten ons in het duister wat betreft de inhoud van het goddelijk wezen. Maar nu komen de mededeelbare eigenschappen erbij. En die zeggen ons dat de God die zo oneindig hoog en verheven is, toch ook in al zijn schepselen woont, aan al zijn schepselen verwant is en alle deugden bezit die op afgeleide en beperkte manier ook aan schepselen eigen zijn. Hij is niet alleen een God van veraf, maar ook van dichtbij. Hij is niet alleen onafhankelijk en onveranderlijk, eeuwig en alomtegenwoordig, maar ook wijs en machtig, rechtvaardig en heilig, genadig en barmhartig. Hij is niet alleen Elohim, Hij is ook Jehova.

Zoals de onmededeelbare eigenschappen meer in de naam Elohim, God, hun uitdrukking vinden, zo staan de mededeelbare eigenschappen meer op de voorgrond in de naam Jehova. De afleiding en de oorspronkelijke betekenis van deze naam is ons onbekend. Waarschijnlijk bestond hij al lang vóór de tijd van Mozes, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de eigennaam Jochebed. Maar God maakte zich toen nog niet onder deze naam aan zijn volk bekend. Aan Abraham openbaart Hij zich als El-Shaddai, God de Almachtige, Gen. 17:1, Ex. 6:2 die alle krachten van de natuur onderwerpt en dienstbaar maakt aan de genade. Maar als er nu honderden jaren voorbijgegaan zijn en God zijn verbond en belofte aan de vaderen vergeten schijnt te hebben, dan maakt Hij zich aan Mozes bekend als Jehova, dat is: als de God die dezelfde is als die aan de vaderen verscheen, die zijn verbond gestand doet, zijn belofte vervult en alle eeuwen door tegenover zijn volk zichzelf volkomen gelijk blijft. Jehova krijgt nu de betekenis van: Ik ben die Ik ben (Ik zal zijn die Ik zijn zal) en duidt Gods onveranderlijke trouw aan in zijn verhouding tot Israël. Jehova is de God van het verbond, die volgens zijn vrije liefde zijn volk heeft uitverkoren en zijn eigendom heeft gemaakt. Terwijl de naam Elohim, God, het eeuwige wezen in zijn soevereine hoogheid boven de wereld aanduidt, ligt in de naam Jehova, HEER, opgesloten dat diezelfde hoge en verheven God zich vrijwillig aan zijn volk heeft geopenbaard als een God van heiligheid, genade en trouw.

Alle worsteling van de geesten in Israël en tot in onze dagen toe gaat nu principieel om deze vraag of Jehova Elohim, of de HEER God is. De heidenen en vele filosofen van vroeger en later tijd zeggen dat Jehova slechts de God van Israël is, een nationale, beperkte, lagere God. Maar Mozes en Elia en alle profeten, Christus en al zijn apostelen houden daartegenover staande dat alleen de HEER, die met de vaderen en het volk van Israël een verbond is aangegaan, de enige, eeuwige en echte God is en dat er geen God is buiten Hem. Jes. 43:10-15, 44:6 Daarom is Jehova Gods eigenlijke, onderscheidende naam. Jes. 42:8, 48:11 De God van het verbond, die zich zo neerbuigt dat Hij naar zijn volk afdaalt en woont bij degenen met een verbrijzelde en nederige geest, is tegelijk de hoge en verhevene, die in de eeuwigheid woont en wiens naam heilig is. Jes. 57:15

De onmededeelbare en de mededeelbare eigenschappen zijn daarom niet met elkaar in strijd. De eerste dienen, om zo te zeggen, om de laatste toe te lichten en te versterken. Neem bijvoorbeeld Gods liefde. We zouden daar niet over mogen en niet kunnen spreken, wanneer wat onder mensen naar waarheid liefde heet, niet in enig opzicht een afdruk (ectype), beeld en gelijkenis zou zijn van de liefde die in God aanwezig is. Er moet enige overeenkomst bestaan tussen de goddelijke en de menselijke liefde, want anders zou al ons denken en spreken over Gods liefde onwaar en niets dan een holle klank zijn. Maar die overeenkomst is absoluut geen gelijkheid. De reinste en sterkste liefde onder mensen is slechts een heel zwakke weerschijn van de liefde die in God is. En dat laten de onmededeelbare eigenschappen ons begrijpen. Door die eigenschappen leren we dat de liefde in God de liefde van alle schepselen oneindig ver te boven gaat. Want de liefde in God is onafhankelijk, onveranderlijk, eenvoudig, eeuwig en alomtegenwoordig. Die is niet van ons afhankelijk en wordt niet door ons opgewekt, maar ontspringt vrij en rein uit de diepten van het goddelijk wezen. Die liefde kent geen wisseling, daalt en stijgt niet, verschijnt en verdwijnt niet, maar mist elke schaduw zelfs van ommekeer. Ze is geen eigenschap in het goddelijke wezen naast andere eigenschappen en raakt daar nooit mee in strijd, maar ze valt samen met het goddelijk wezen zelf: God is liefde, zelf, geheel, volmaakt met zijn hele wezen. Ze is niet aan tijd en ruimte onderworpen, maar ze staat erboven en daalt uit de eeuwigheid in het hart van al Gods kinderen neer. Zo’n liefde is absoluut betrouwbaar. Daar kan onze ziel in alle nood en dood in rusten. Als zo’n God van liefde vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn?

Ditzelfde kan nu gezegd worden over alle mededeelbare eigenschappen. Van de kennis en wijsheid, de goedheid en genade, de gerechtigheid en heiligheid, de wil en de macht die God eigen zijn, is er enige flauwe gelijkenis in schepselen. Al het vergankelijke is een beeld. De zichtbare dingen zijn ontstaan uit dingen die niet onder de ogen verschijnen. Heb. 11:3 Maar al die eigenschappen zijn in God aanwezig op een oorspronkelijke, onafhankelijke, onveranderlijke, eenvoudige, oneindige manier. De HEER alleen is God en Hij heeft ons zijn volk gemaakt, de schapen van zijn weide. Ps. 100:3

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in