9.1 – Twee manieren om de geloofsleer te behandelen

0
27

Tot nog toe hebben we het karakter van de openbaring besproken die God ons in zijn genade geschonken heeft en hebben we de manier beschreven waarop die openbaring tot stand kwam en in de Heilige Schrift, onder de opvoedende leiding van de belijdenis, aan ons bekendgemaakt werd. Nu moeten we de inhoud van die openbaring uiteenzetten en moeten we in een geregelde orde aanwijzen wat we voor ons verstand en hart, voor ons bewustzijn en leven aan die openbaring te danken hebben. Terwijl we, om zo te zeggen, eerst het gebouw van de openbaring van buiten bekeken en een indruk ontvingen van de stijl waarin het opgetrokken was, gaan we nu het heiligdom zelf binnen en slaan we de schatten van wijsheid en kennis gade die daarin voor onze ogen liggen uitgestald.

Het spreekt echter vanzelf dat we de rijke inhoud van deze openbaring op verschillende manieren uiteen kunnen zetten en de onderdelen ervan in een verschillende orde voor onze geest kunnen laten voorbijgaan. We hoeven die manieren niet allemaal te bespreken, maar vestigen toch even de aandacht op twee methoden of manieren waarop de stof van de christelijke geloofsleer behandeld kan worden en ook vaak behandeld is.

In de eerste plaats kunnen we ons tot de christen wenden, die met een waar geloof van zijn hart de inhoud van de openbaring in zich opgenomen heeft. We kunnen hem vragen langs welke weg hij tot de kennis van de waarheid is gekomen, uit welke onderdelen deze kennis bestaat en welke vrucht deze kennis voor zijn bewustzijn en leven heeft voortgebracht. Dit is het standpunt waarop onze Heidelbergse Catechismus zich plaatst. Daarin is de christen aan het woord en hij geeft uitvoerig en helder rekenschap van de enige troost die in leven en sterven zijn deel is en van de verschillende onderwerpen die we moeten kennen om in deze troost zalig te mogen leven en sterven. Dit is een mooie methode van behandeling, die warme aanbeveling verdient voor een praktisch leerboek. Deze methode heeft verschillende voordelen. Ze brengt de waarheid rechtstreeks in verband met heel het christelijk leven, bewaart voor schoolse redeneringen en zinloze speculaties en toont bij ieder leerstuk aan wat een mensenkind eraan heeft voor zijn hoofd en zijn hart. ‘Wat hebt u eraan en welke troost schenkt het u dat u dit alles gelooft? Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam van het eeuwige leven.’

Maar er is nog een andere orde waarin de waarheden van het geloof behandeld kunnen worden. We kunnen ons niet alleen tot de christen wenden, om hem op onze vragen te laten antwoorden wat hij gelooft. We kunnen ons ook zelf op het standpunt van de christen plaatsen en dan uit de Schrift onszelf en anderen rekenschap proberen te geven van de inhoud van ons geloof. Dan laten we de ontwikkeling van onze belijdenis niet bepaald worden door de vragen die ons daarover gesteld worden en waarop van onze kant dan afhankelijk van de vragen geantwoord wordt.

Dan zetten we zelf in positieve zin uiteen wat de inhoud is van ons geloof. We letten dan niet zozeer op de orde waarin we na verloop van tijd tot kennis van de waarheid zijn gekomen. We proberen op te sporen welke orde er objectief in de waarheden van het geloof zelf aanwezig is, hoe die onderling samenhangen en wat daarvan het allesbeheersend principe vormt. Deze orde is het die in onze Nederlandse Geloofsbelijdenis gevolgd wordt. Ook daarin is de christen aan het woord, maar hij wacht niet op de vragen die hem worden voorgelegd. Hij zet zelf de inhoud van zijn geloof uiteen. Hij gelooft met het hart en belijdt met de mond wat God in zijn Woord en door zijn Geest tot de gemeente zegt.

Deze beide manieren van behandeling staan natuurlijk niet vijandig tegenover elkaar en sluiten elkaar niet uit. De ene vult de andere aan en ze zijn beide van grote waarde. Voor de gereformeerde kerken en niet minder voor de gereformeerde scholen is het een onschatbaar voorrecht dat we naast de geloofsbelijdenis de catechismus en naast de catechismus de belijdenis bezitten. Het objectieve en het subjectieve, het theologische en het antropologische standpunt zijn daardoor verenigd. Hoofd en hart zijn erdoor verzoend. Gods waarheid is een zegen zowel voor ons bewustzijn als voor ons leven.

Dat deze beide manieren om de inhoud van de openbaring uiteen te zetten niet tegenover elkaar staan, maar elkaar aanvullen en in evenwicht houden, wordt ten overvloede bewezen doordat niet alleen in de catechismus, maar evengoed in de geloofsbelijdenis de christen aan het woord is en niet de christen op zichzelf genomen en van anderen afgezonderd, maar de christen in gemeenschap met al zijn broeders en zusters. Het is de gemeente die zich uitspreekt. ‘We geloven allen met het hart en belijden met de mond’ – zo begint de Nederlandse Geloofsbelijdenis, zo gaat die verder en zo eindigt die. En dan nog, erboven staat dit veelzeggende opschrift: ‘Ware christelijke belijdenis, met als inhoud de kern van de leer van God en van de eeuwige zaligheid van de zielen.

Die twee, de leer van God en de leer van de eeuwige zaligheid van de zielen, vormen geen twee zelfstandige onderwerpen, die niets met elkaar te maken hebben. Nee, ze zijn onlosmakelijk verbonden. De leer van God is tegelijk een leer van de eeuwige zaligheid van de zielen en deze laatste sluit ook de eerste in. De kennis van God in het aangezicht van Jezus Christus, zijn Zoon, is het eeuwige leven. Joh. 17:3

Deze kennis van God verschilt immers van de kennis die we in het dagelijks leven of in de scholen van onderwijs en wetenschap verwerven, niet gradueel, maar in wezen. Het is een heel eigensoortige kennis. In oorsprong, object en vrucht verschilt die van elke andere kennis, zoals we breder uiteengezet hebben in het tweede hoofdstuk. Het is een zaak zowel van het hoofd als van het hart. Het maakt ons niet ‘geleerder’, niet in de eerste plaats tenminste, maar het maakt ons wijzer, beter, gelukkiger. Het maakt ons zalig en schenkt ons eeuwig leven, niet pas na dit leven, maar ook al hier op aarde. De drie onderdelen die we moeten kennen, zijn niet alleen nodig om ons eenmaal zalig te laten sterven, maar ook om ons van nu af aan hier op aarde zalig te laten leven.

Wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven. Joh. 3:36 Zalig zijn de reinen van hart. Ze zijn het al hier op aarde, al is het ook door de belofte dat ze hierna God zullen zien. Mat. 5:7 Ze werden in de hoop zalig. Rom. 8:24

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in