7.5 – De profeten

0
88

Op de basis van deze wetgeving van Mozes – dat is: op de basis van Gods verbond, dat God met de aartsvaders gesloten, met Israël aan Sinaï bevestigd en in de wet van Mozes ‘goed geregeld’ had – ontstonden later in de geschiedenis van Israël onder de leiding van de Heilige Geest drie soorten heilige literatuur: de profetie, de psalmodie en de chokma. Deze bijzondere gaven van de Heilige Geest sloten aan bij natuurlijke gaven die eigen zijn aan het Semitische ras, vooral ook aan het volk Israël, maar gaan daarboven uit en krijgen een roeping in de dienst van het Godsrijk en ten bate van heel de mensheid.

De profetie begint al bij Abraham, Gen. 18:17, 20:7, Amos 3:7, Ps. 105:15 Jakob, Gen. 49 Mozes Num. 11:25, Deut. 18:18, 34:10, Hos. 12:14 en Mirjam, Ex. 15:20, Num. 12:2 maar komt dan vooral door en na Samuel op en vergezelt Israëls geschiedenis tot geruime tijd na de ballingschap toe. De boeken van de profeten worden in het Hebreeuwse Oude Testament in twee grote groepen onderscheiden, in de ‘eerste’ en de ‘laatste’ profeten. Onder de ‘eerste’ profeten worden de boeken van Jozua, Richteren, Samuel en Koningen samengevat. De reden waarom deze boeken met de naam ‘eerste profeten’ worden aangeduid, is dat ze door profeten geschreven zijn en over de profeten gaan die aan de latere schriftprofeten voorafgegaan zijn.

Er zijn dus veel meer profeten in Israël geweest dan de vier grote en de twaalf kleine profeten van wie de boeken in onze Bijbel zijn bewaard. De bovengenoemde historische boeken staan vol namen van profeten en ze beschrijven hun activiteiten soms zeer uitvoerig. Ze gaan over Debora, Samuel, Gad, Nathan, Ahia, Semaja, Azaria, Hanani, Jehu de zoon van Hanani, Elia, Eliza, Hulda, Zacharia, de eerste martelaar onder de profeten van het rijk Juda, en over nog vele andere, ook ongenoemde. bv. 2 Kron. 25. Van al deze mannen is niets schriftelijks aan ons overgeleverd. Zelfs is er nu en dan sprake van profetenscholen, 1 Sam. 10:5-12, 19:19 e.v., 2 Kon. 2:3, 2:5, 4:38, 4:43, 6:1 waar vele zonen of leerlingen van de profeten zich samen toelegden op geestelijke oefeningen en theocratische activiteiten. Uit deze scholen kwam waarschijnlijk ook de profetische geschiedschrijving voort die voor ons bewaard is gebleven in de boeken van Jozua, Richteren enzovoort. Vooral in de boeken van de Kronieken wordt meerdere keren melding gemaakt van historische geschriften van profeten. 1 Kron. 29:29, 2 Kron. 9:29, 20:34 enz.

De profeten van wie activiteiten in de historische boeken beschreven worden, ontvangen tegenwoordig vaak de naam ‘profeten van de daad’, in onderscheid met de latere schriftprofeten. Deze benaming is niet onjuist, als we maar in het oog houden dat alle profeten, vroegere en latere, profeten van het woord zijn geweest. Ze hebben allemaal gesproken en getuigd. Hun naam in het Hebreeuws, nabi, wijst daar waarschijnlijk al op Ex. 4:16, 7:1 en het getuigenis van de oudste profeten bevat al de basistrekken van profetische verkondiging. Maar de profeten van de oudere periode onderscheiden zich in twee opzichten van de latere profeten. In de eerste plaats beperken ze hun blik tot de interne aangelegenheden van het volk Israël en nemen ze andere volken nog niet in hun gezichtskring op. En in de tweede plaats letten ze meer op het heden dan op de toekomst. Hun woord van vermaning en bedreiging heeft doorgaans nog een onmiddellijk, praktisch doel. Het is de periode waarin, onder en nog geruime tijd na de regering van David en Salomo, de hoop blijft leven dat Israël Gods verbond zal houden en op zijn wegen zal wandelen.

Maar als Israël in de negende eeuw vóór Christus langzamerhand in de buitenlandse politiek betrokken wordt en, met miskenning van eigen roeping en bestemming, zich betrekken laat, dan richten de profeten het oog ook op de omwonende volken en verwachten ze de volkomen vervulling van Gods beloften niet meer in het afvallige heden, maar in de messiaanse toekomst, waar God zelf voor zal zorgen. Staand op hun wachttoren kijken ze uit over de breedte en de lengte van de aarde en duiden ze de tekenen van de tijden niet volgens hun eigen opvatting en uitleg, maar bij het licht van de Heilige Geest. 1 Pet. 1:4, 2 Pet. 2:20-21 Ze toetsen alle toestanden in Israël op godsdienstig, moreel, politiek en maatschappelijk terrein en alle verhoudingen van Israël tot andere volken, tot Edom, Moab, Assur, Chaldea, Egypte enzovoort aan het centrale verbond waarin Jehova tot zijn volk staat. En dan kondigen ze allemaal, ieder volgens zijn aard en tijd op een eigen manier, maar toch het in wezen gelijke woord van God aan: ze maken Israël hun zonden en Gods straffen bekend. Ze troosten het volk van de Heer met de onveranderlijkheid van zijn verbond, de belofte van zijn trouw, de vergeving van al hun ongerechtigheden. En ze richten ieders oog op de blijde toekomst, waarin God zelf onder de koning uit Davids huis zijn heerschappij over Israël en over alle volken zal uitbreiden.

Maar daardoor krijgt het woord dat ze in Gods naam verkondigen, een betekenis die ver uitgaat boven het heden. Het heeft zijn grens en zijn doel niet meer in het Israël van de oude dag, maar het heeft een inhoud en strekking die zich tot het einde van de aarde uitbreidt en pas in heel de mensheid tot vervulling kan komen. Het woord van de profetie gaat nu dan ook over in schrift. Vanaf de negende eeuw vóór Christus, vanaf de dagen van Joël of Obadja, beginnen de profeten de inhoud van hun prediking op te tekenen, soms op uitdrukkelijk bevel van God, Jes. 8:1, Hab. 2:2, Jes. 36:2 en met de klip en klaar uitgesproken bedoeling dat dit woord van hen zal blijven tot de laatste dag, voor altijd, tot in eeuwigheid Jes. 30:8 en door latere generaties in zijn betrouwbaarheid erkend zal worden. Jes. 34:16

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in