6 – De ware leer strijdt niet tegen de kerk

0
139

Het lukt onze tegenstanders ook niet om ons in het nauw te brengen met het volgende dilemma: dat we zouden moeten erkennen dat de kerk een tijd lang dood geweest is, óf dat we nu tegen de kerk strijden.

Het is waar, de kerk van Christus heeft steeds geleefd en zal altijd leven, zolang als Christus zal regeren aan de rechterhand van de Vader. Door zijn hand wordt de kerk gesteund, door zijn hulp wordt zij beschermd, door zijn kracht blijft ze ongedeerd in stand. Want de taak die Hij eenmaal op zich genomen heeft, zal Hij ongetwijfeld afmaken. Hij zal tot het einde van de wereld bij de zijnen zijn.1

Echter, tegen deze kerk gaat onze strijd niet. Want wij eren de enige God en Christus de Heer en wij doen dat eenstemmig met heel het volk van gelovigen. Alle vromen hebben Hem altijd aanbeden zoals wij nu doen. Maar onze tegenstanders dwalen zelf een heel eind van de waarheid af als ze geen andere kerk erkennen dan de kerk zie ze met hun ogen kunnen zien. Binnen de grenzen van die kerk proberen ze Gods kerk op te sluiten. Maar de kerk valt niet binnen die grenzen op te sluiten.

Dit zijn de belangrijkste punten waarover wij van mening verschillen. In de eerste plaats beweren onze tegenstanders dat de kerk altijd zichtbaar is. In de tweede plaats dat de kerk zichtbaar is in de stoel van de roomse kerk en in de hiërarchie van die kerk. Maar wij beweren dat de kerk ook kan bestaan zonder dat ze zichtbaar is. En dat de kerk niet zichtbaar is in de uiterlijke glans, die zij zo dwaas bewonderen, maar in de zuivere prediking van Gods Woord en de juiste bediening van de sacramenten.

Zij klagen als de kerk niet altijd met de vinger aangewezen kan worden. Maar hoe vaak werd de kerk onder het joodse volk niet zo misvormd dat ze niet meer te herkennen was? In welke vorm denken we dat de kerk nog zichtbaar was toen Elia klaagde dat hij alleen overgebleven was?2 Hoelang is de kerk na de komst van Christus verborgen gebleven? Hoe vaak is de kerk sinds die tijd door oorlog, oproer en ketterij zo onderdrukt, dat ze nergens zichtbaar was? Als onze tegenstanders in die tijd geleefd hadden, zouden ze dan wel geloofd hebben dat er een kerk was? Maar Elia kreeg te horen dat er nog zevenduizend mannen over waren, die niet voor Baäl knielden. En wij hoeven er niet aan te twijfelen dat Christus altijd op aarde geregeerd heeft, sinds Hij naar de hemel gevaren is. Maar als de vromen toen naar een zichtbare vorm gezocht hadden, zouden ze dan de moed niet meteen hebben laten zakken?

Ook in de tijd van Hilarius waren de mensen al vol dwaze bewondering voor de bisschoppelijke waardigheid. Hij vond dat een grote fout. Want ze merkten niet dat onder dat masker een dodelijke adder school. Hilarius zegt namelijk: ‘Eén ding raad ik jullie dringend aan: pas op voor de antichrist. Want jullie hebben ten onrechte de muren lief gekregen. Ten onrechte eren jullie daken en gebouwen als de kerk van God. Ten onrechte verbinden jullie daar het woord vrede aan. Is het onzeker dat de antichrist daar zal zetelen? Bergen, bossen, wateren, kerkers en holen vind ik veiliger. Want daar verbleven de profeten of ze kwamen daar terecht, toen ze profeteerden.’3

Maar wat vereert de wereld tegenwoordig in haar gemijterde bisschoppen? Ze beschouwt hen, die zetelen in grote steden, als heilige leiders van de godsdienst. Weg met dat dwaze opkijken tegen hen! Laten we het oordeel liever aan de Heer overlaten. Want Hijzelf alleen weet wie van Hem zijn.4 En soms maakt Hij zijn kerk voor de ogen van de mensen onzichtbaar. Ik erken dat dat voor de aarde een verschrikkelijke straf van God is. Maar als de mensen dat met hun goddeloosheid verdienen, waarom proberen wij ons dan tegen de wraak van God te verzetten? Zo heeft God in vroegere eeuwen de mensen gestraft voor hun ondankbaarheid. Zij wilden zijn waarheid niet gehoorzamen en doofden zijn licht uit. Daarom liet Hij toe dat hun verstand verblind werd, zodat ze werden misleid door dwaze leugens en gedompeld werden in diepe duisternis. Er bestond daardoor geen zichtbare vorm meer van de ware kerk.

Maar ondertussen heeft Hij de zijnen gered van de ondergang, ook al waren ze verstrooid en onvindbaar te midden van alle dwalingen en duisternis. Geen wonder. Want Hij wist hen ook te redden zelfs uit de verwarring van Babel en uit de vlammen van de brandende oven.5

Het is echter heel gevaarlijk dat onze tegenstanders de zichtbare kerk beoordelen naar ik weet niet welke ijdele praal. Ik zal dat in het kort laten zien en niet uitgebreid uiteenzetten, om mijn verhaal niet oneindig lang te rekken.

De paus, zo zeggen ze, die zetelt op de apostolische stoel en de bisschoppen die door hem gezalfd en gewijd zijn, vormen de zichtbare kerk. Als ze maar de tekenen dragen van mijter en staf. Zij moeten beschouwd worden als de kerk. En daarom kunnen ze niet dwalen. Hoe kan dat? Omdat ze herders van de kerk zijn en door de Heer zijn geheiligd.

Maar waren Aäron en andere ambtsdragers van Israël dan geen herders? En hebben Aäron en zijn zonen niet ook gedwaald nadat ze al tot priester waren aangesteld? Ze maakten immers het gouden kalf.6

En waarom zouden volgens deze redenering de vierhonderd profeten die Achab bedrogen niet de zichtbare kerk gevormd hebben? Maar de kerk stond aan de kant van Micha. Die was weliswaar alleen en hij werd geminacht. Maar uit zijn mond kwam wel de waarheid.7

Noemden de profeten die als één man opstonden tegen Jeremia zich ook niet de kerk en zagen zij er niet uit als de kerk? Dreigend verkondigden ze dat het onmogelijk was dat de wet van de priester, de raad van de wijze of het woord van profeet zouden vergaan.8 Maar Jeremia wordt in zijn eentje gezonden tegenover alle andere profeten, om namens de Heer te verkondigen dat de wet van de profeet, de raad van de wijze en het woord van de profeet wel zouden vergaan.9

Zag dat concilie waarin de overpriesters, schriftgeleerden en farizeeën bij elkaar kwamen, toen ze wilden overleggen over het doden van Christus, er ook niet schitterend uit?10

Laat onze tegenstanders nu maar gaan. Laat hen maar blijven vasthouden aan het uiterlijke masker. Laat hen Christus en alle profeten maar bestempelen tot scheurmakers en omgekeerd de dienaren van de satan tot werktuigen van de Heilige Geest. Als ze het goed bedoelen, dan mij moeten ze mij eens oprecht antwoord geven op de vraag waar ter wereld volgens hen de kerk zetelt sinds het concilie van Bazel. Dat concilie heeft immers Eugenius IV uit de pauselijke waardigheid gezet en in zijn plaats Amadeus (Felix V) gekozen. Al zouden ze het nog zo erg vinden, ze kunnen niet ontkennen dat dat concilie wettig geweest is. Officieel was alles goed geregeld en het is niet slechts door één paus uitgeschreven, maar zelfs door twee. Eugenius is daar veroordeeld als een opstandige, koppige scheurmaker, met de hele bende kardinalen en bisschoppen die samen met hem het concilie probeerden te laten ontbinden. Maar later heeft hij met steun van vorsten de pauselijke waardigheid weer teruggekregen. De verkiezing van Amadeus is in rook opgegaan, ondanks het gezag van de algemene heilige synode en alle gebruikelijke rituelen. Alleen werd hij – als een blaffende hond die een stuk brood in de bek geworpen krijgt – gepaaid met een kardinaalshoed.

Uit de schoot van die koppige ketters en rebellen zijn alle pausen, kardinalen, bisschoppen, abten en priesters voortgekomen die er sindsdien geweest zijn. Nu moeten onze tegenstanders zich toch wel gewonnen geven. Want aan welk van deze twee delen moeten ze de naam kerk toekennen? Willen ze ontkennen dat het concilie van Bazel wettig was en er qua uiterlijke glans niets mis mee was? Het is immers officieel uitgeschreven met twee bullen, het is ingewijd onder voorzitterschap van de legaat van de stoel van Rome, alles ging volgens de regels en tot het laatst toe is dat zo gebleven. Zullen ze erkennen dat Eugenius met zijn hele bende een ketter was? Hij, door wie ze allemaal gewijd zijn? Kortom, of ze moeten de zichtbare vorm van de kerk anders definiëren, of wij zullen hen allemaal – met hoevelen ze ook zijn – als scheurmakers beschouwen, omdat ze zich willens en wetens door ketters hebben laten aanstellen.

En als nog nooit eerder gebleken zou zijn dat de kerk niet gebonden is aan uiterlijke praal, dan zouden zij zelf genoeg bewijs vormen. Ze hebben zich al zolang hoogmoedig bij de wereld aangeprezen onder de mooie naam van kerk, maar in werkelijkheid waren ze schadelijke plagen voor de kerk. Ik ga het niet hebben over hun slechte moraal of over de verschrikkelijke misdaden waar hun leven vol van is. Ze zeggen immers zelf dat ze net als de farizeeën zijn: je moet wel naar hen luisteren, maar je moet hen niet nadoen.11 Ze zeggen dat het aan hun leer te danken is dat ze de kerk zijn. Maar als u een beetje van uw vrije tijd besteedt aan het lezen van wat wij geschreven hebben, dan zult u ontdekken dat juist die leer een schadelijke vorm van zielenmoord is. Het is een fakkel die de kerk in brand steekt, zodat ze instort en ten onder gaat.

1Mattheüs 28:20

21 Koningen 19:10

3Hilarius van Poitiers, Contra Arianos vel Auxentium Mediolanensem 7

42 Timotheüs 2:19

5Daniël 3

6Exodus 32

71 Koningen 22:8-28

8Jeremia 18:18

9Jeremia 4:9

10Johannes 11:47

11Mattheüs 23:3

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in