6.4 – Wet en belofte volgens Paulus

0
245

Maar als dit het geval is, dan wordt nog belangrijker de vraag waarvoor God dan toch die wet aan Israël gegeven heeft. Met ander woorden: wat is de zin en betekenis van de bedeling van het genadeverbond die met de wet is ingegaan en wat is dus het wezen van de Israëlitische religie? Die vraag was in Paulus’ dagen van belang en is dat niet minder in onze dagen.

In de dagen van de apostelen waren er die in de wet het wezen van Israëls godsdienst zagen en die daarom eisten dat de heidenen alleen door Israël heen, door de besnijdenis en het in acht nemen van de wet heen, naar het christendom zouden komen.

En er waren anderen die de wet verachtten, die die toeschreven aan een lagere god en die beschouwden als behorend tot een lager godsdienstig standpunt. Nomisme en antinomisme stonden toen als uitersten tegenover elkaar.

En onder andere namen en vormen komt nu dezelfde tegenstelling voor. Er zijn er die het wezen van Israëls godsdienst stellen in het ethisch monotheïsme, dat wil zeggen: in de erkenning dat God een heilig God is, die alleen eist dat we zijn geboden in acht nemen. Daarin zoeken ze ook het wezen van het christendom, zodat het onderscheid tussen beide verloren gaat en de verlichte Jood en de verlichte christen volkomen dezelfde godsdienst belijden. Er zijn ook anderen, die uit de hoogte van hun geestelijke vrijheid op het lage, enghartige, bekrompen, wettische jodendom neerkijken en die geen hoger ideaal kennen dan om de mensheid uit de handen van de Jood te verlossen en elk Semitisch element uit het Jafethisme te verwijderen. Zij vinden dat elk bederf afkomstig is uit het jodendom en alle zaligheid uit het Indo-Europese ras. Semitische en antisemitische geesten worstelen met elkaar en als uitersten raken ze elkaar daardoor toch.

Voor Paulus had de vraag naar de zin en de bedoeling van de wet zoveel betekenis dat hij er in zijn brieven geregeld op terugkomt. Het antwoord dat hij geeft, bevat de volgende elementen.

In de eerste plaats, de wet is bij de belofte gekomen, ze is er later aan toegevoegd, maar was er oorspronkelijk niet mee verbonden. Vele jaren verliepen voordat na de belofte de wet werd afgekondigd. En toen de wet bij de belofte kwam, droeg die toch een tijdelijk, voorbijgaand karakter. Terwijl de belofte of het verbond van de genade eeuwig is, duurde de wet slechts tot de tijd waarin het eigenlijke zaad van Abraham, namelijk de Christus, zou verschijnen. Aan Hem was de belofte wezenlijk gedaan en Hij moest de inhoud van de belofte ontvangen en uitdelen. Rom. 5:20, Gal. 3:17, 3:19

In de tweede plaats, dit tijdelijke, voorbijgaande karakter van de wet komt ook al uit in de oorsprong ervan. De wet is wel van God afkomstig, maar is toch door Hem niet rechtstreeks en direct aan het volk van Israël en aan ieder lid van dat volk zelf gegeven. Nee, er hadden daarbij allerlei bemiddelingen plaats. Van de kant van God werd de wet gegeven door middel van de engelen, onder donder en bliksem, in een zware wolk en bij het geluid van een sterke bazuin. Ex. 19:16, 19:18, Heb. 12:18, Hand. 7:38, 7:53, Gal. 3:19 En van de kant van het volk, dat bevreesd was en aan de voet van de berg moest blijven staan, werd Mozes verzocht om als middelaar op te treden, met God te spreken en de wet in ontvangst te nemen. Ex. 19:21 e.v., 20:19, Deut. 5:22-27, 18:16, Heb. 12:19, Gal. 3:19-20 Heel anders staat het echter met de belofte. Want die wordt ons niet door engelen, maar door Gods eigen Zoon geschonken. En ze wordt niet namens ons in ontvangst genomen door iemand die wij daartoe de opdracht schonken, door een middelaar van onze kant. Nee, alle gelovigen krijgen er in Christus zelf persoonlijk deel aan. Joh. 1:17, Gal. 3:22, 3:26

In de derde plaats, omdat de wet van God afkomstig is, is die wel heilig en rechtvaardig en goed en geestelijk. De wet is op geen enkele manier aanleiding of oorzaak voor de zonde, al neemt de zonde het gebod ook als oorzaak. De wet is zelfs niet in zichzelf krachteloos. De wet is eigenlijk een gebod dat naar het leven leidt. De wet is alleen krachteloos bij de mens door zijn zondige vlees. Maar dat alles neemt niet weg dat de wet toch, niet alleen gradueel, maar in wezen verschilt van de belofte. De wet is wel niet tegen en in strijd met de belofte, maar ze is ook niet uit de belofte en uit het geloof. Daarom kan de wet niet gegeven zijn om de belofte teniet te doen. Maar omdat de wet in wezen verschilt van de belofte, draagt ze een ander karakter dan de belofte en heeft ze ook een ander doel. Rom. 7:7-14, 8:3, Gal. 3:17, 3:21

In de vierde plaats, dat bijzondere doel dat eigen is aan de wet en waarmee God haar gegeven heeft, is tweeledig van aard. Om te beginnen is de wet bij de belofte gekomen omwille van de overtredingen, Gal. 3:19 dat is: om de overtredingen te laten toenemen. Want er was wel zonde, ook voordat de wet bestond en waar de wet van Mozes niet bestond. Rom. 5:12-13 Maar dan draagt de zonde toch een ander karakter. Dan is die geen ‘overtreding’ in de zin waarin Paulus daarover spreekt in onderscheid met zonde in het algemeen. Bij Adam echter, die een gebod ontving waaraan leven of dood verbonden was, Rom. 5:12, 5:14 en zo ook bij Israël, dat in de weg van gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid zou delen in het leven of de dood, in de zegen of de vloek, droeg de zonde nog een ander karakter.

Als zonde tegen een wet waar leven of dood van afhing, werd de zonde een ‘overtreding’, dat is: kreeg de zonde de aard van een verbondsbreuk, een zich stellen tegenover en buiten de eigenaardige verhouding waarin God zich bij het werkverbond tot Adam en bij het Sinaïtisch verbond tot Israël had geplaatst. Als zo’n wet er niet is, dan blijft de zonde wel zonde, maar dan is er toch geen eigenlijke ‘overtreding’. Rom. 4:15 De zonden van de heidenen zijn zeer zeker zonden, maar ze zijn geen verbondsbreuk zoals bij Israël. En omdat ze zonder zo’n wet zijn als God aan Israël schonk, worden ze ook zonder die wet veroordeeld. Rom. 2:12

Bij Israël konden de zonden echter weer ‘overtredingen’ worden, juist omdat het van God een wet ontving met de belofte van het leven en de bedreiging met de dood. De wet schiep daar dus de mogelijkheid voor. In zoverre kan Paulus zeggen dat de Sinaïtische wet, hoewel die heilig was en absoluut geen oorzaak voor de zonde, toch bij de belofte gekomen is om de ‘overtredingen’ te laten toenemen, dat de wet de kracht van de zonde is en de begeerte wekt, dat de zonde het gebod als oorzaak neemt om te overtreden, dat de zonde slaapt en dood is zonder zo’n wet, dat de wet de ‘misdaad’ – dat is opnieuw niet de zonde in het algemeen, maar die bepaalde zonden die de natuur van een misstap, van een val, van een verbondsbreuk dragen – laat toenemen. Gal. 3:19, Rom. 5:13, 5:20, 7:8, 1 Kor. 15:56 Maar doordat de wet dit alles teweegbrengt, werkt ze daardoor uiteraard ook onvermijdelijk toorn. Dat is: de wet dreigt met de goddelijke straf, spreekt over alle mensen en over al hun daden het oordeel uit, rechtvaardigt niemand, maar legt allen onder de vloek en maakt allen veroordeling waard, onderworpen aan Gods toorn. Rom. 3:19-20, 4:15, Gal. 3:10-11, 3:22 Als er dus onder het Oude Testament mensen zijn geweest die vergeving van zonden en eeuwig leven ontvangen hebben, dan hebben ze dat niet aan de wet, maar aan de belofte te danken.

Maar in verband met dit negatieve doel – het laten toenemen van de overtredingen en het verzwaren van het oordeel – krijgt de wet die door God aan Israël gegeven is, toch ook een positief doel. Want juist door aan de zonde het karakter van overtreding, verbondsbreuk, ontrouw te geven, door alle zonde, ook de verborgen begeerte in het hart, te laten kennen als zonde, als in strijd met Gods wet en als zijn toorn en de doodstraf waardig, Rom. 3:20, 7:7, 1 Kor. 15:56 brengt de wet aan het licht dat de belofte onmisbaar is en bewijst de wet dat er een andere gerechtigheid moet bestaan dan uit de werken. Gal. 3:11 Anders zou er geen rechtvaardiging van de zondaar mogelijk zijn. De wet is dus absoluut niet tegen de belofte, maar diende juist als middel in Gods hand om de belofte steeds verder tot haar vervulling te brengen. De wet nam Israël namelijk in bewaring, als een gevangene die de vrijheid van beweging mist. De wet leek op een ‘pedagoog’ en nam Israël bij de hand, begeleidde het en liet het geen ogenblik vrij. Als een voogd en verzorger hield de wet Israël voortdurend onder haar toezicht, opdat Israël juist de belofte zou leren kennen en liefhebben in de noodzaak en heerlijkheid ervan. Zonder de wet zou er, om zo te zeggen, van de belofte en haar vervulling niets terechtkomen. Dan zou Israël spoedig in het heidendom teruggezonken zijn en zowel Gods openbaring met haar beloften als zijn eigen religie en plaats te midden van de volken verloren hebben. Maar nu heeft de wet Israël omheind, afgezonderd, in zijn isolement gehandhaafd en bewaard voor opgaan in andere volken. En dus heeft de wet een kring geschapen en afgebakend waarin God zijn openbaring – dat is: zijn belofte – zuiver kon bewaren, uitbreiden, ontwikkelen, vermeerderen en hoe langer hoe meer tot haar vervulling kon brengen. De wet deed dienst om de belofte vervullen. De wet legde allen onder Gods toorn en onder het doodsvonnis, de wet sloot allen op onder de zonde, opdat de belofte die aan Abraham geschonken en in Christus vervuld is, aan alle gelovigen gegeven zou worden en allen de aanneming als kinderen zouden krijgen. Gal. 3:21-4:7

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in