5.5 – Wonderen in het Oude en Nieuwe Testament

0
93

Nu zou dit voor de mens, als hij niet gevallen was, geen betoog nodig gehad hebben. Dan zou hij God gekend en erkend hebben uit alle werken van zijn handen. Zonder ons in te laten met de vraag of er zonder de zonde ook wonderen zouden hebben plaatsgevonden, kunnen we hier volstaan met de opmerking dat ze dan in elk geval een ander karakter en een ander doel zouden hebben gehad. Want de wonderen die nu feitelijk hebben plaatsgevonden en waarover de Schrift vertelt, kenmerken zich door een eigen aard en bedoeling.

In het Oude Testament gaan bij de wonderen oordeel en redding hand in hand. De zondvloed is een middel om het goddeloze geslacht van de toenmalige tijd te vernietigen en om Noach en de zijnen in de ark te behouden. De wonderen die zich om de personen van Mozes en Jozua groeperen – de plagen in Egypte, de doortocht door de Rode Zee, de wetgeving aan de Sinaï, de intocht in en de verovering van Kanaän – hebben als doel om de vijanden van God en zijn volk te oordelen en om aan zijn eigen volk een veilige woonplaats te verschaffen in het land van de belofte. De wonderen waarvan later vooral de persoon van Elia het middelpunt vormt, vallen in de tijd van Achab en Izebel, toen het heidendom heel de dienst van Jehova dreigde te verdringen, en bereiken hun hoogtepunt op de Karmel, waar de strijd tussen Jehova en Baäl wordt beslist.

Alle wonderen van het Oude Testament hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat ze negatief een oordeel over de volken voltrekken en positief in het volk van Israël een terrein scheppen en bewaren voor de voortgaande openbaring van God. Ze vinden er hun doel in dat tegenover alle afgoderij en beeldendienst Jehova, de God van het verbond, de God van het volk Israël, als God gekend en erkend wordt. ‘Zie dat Ik, Ik Die ben. Er is geen God naast Mij: Ik dood en maak levend, Ik versla en Ik heel. En er is niemand die uit mijn hand redt.’ Deut. 32:39, 4:35, Jes. 45:5, 45:15, 45:22 En als dit doel bereikt is, dan breekt al spoedig de volle openbaring aan in de persoon van Christus.

Deze persoon van Christus is zelf een wonder, in zijn oorsprong, in zijn wezen, in zijn woorden en werken, het wonder van de wereldgeschiedenis. Als gevolg daarvan hebben de wonderen die Hij verricht ook een eigen aard. In de eerste plaats doet Hij zelf tijdens zijn aardse leven veel wonderen en wel: wonderen waardoor Hij zijn macht over de natuur bewijst (verandering van water in wijn, wonderbare spijziging, stillen van de storm, wandelen op de zee enzovoort). Vervolgens wonderen waardoor Hij zijn macht over de gevolgen van de zonde, de ziekten en kwalen, de ellendige dingen van het leven, bewijst. En ten slotte wonderen waardoor Hij zijn macht over de zonde zelf, over haar schuld en smet en over de heerschappij van Satan, bewijst (vergeving van de zonden, verdrijving van Satan en de slechte geesten). In deze drie soorten wonderen komt de eigenaardigheid van de persoon van Christus al uit. Op een enkele uitzondering na, zoals de vervloeking van de vijgenboom, zijn alle wonderen van Jezus reddingswonderen. Hij kwam niet om de wereld te veroordelen, maar om haar te behouden. Joh. 3:17 Hij is ook in die wonderen actief als Profeet, Priester en Koning en doet de werken die de Vader Hem getoond en opgedragen heeft. Joh. 4:34, 5:36, 9:4 enz.

Maar nog duidelijker komt de persoon van Christus ons tegemoet in de wonderen die niet door, maar in en met Hem zijn gebeurt. Daarin vooral blijkt wie en wat Hij is. Zijn bovennatuurlijke ontvangenis, zijn wonderlijk leven en sterven, zijn opstanding en hemelvaart, zijn zitten aan de rechterhand van God zijn verlossingswonderen bij uitstek. Die bewijzen nog veel beter dan de werken die door Jezus gedaan werden, zijn absolute macht over de zonde en al haar gevolgen, over Satan en zijn hele rijk. En zo brengen ze ook nog duidelijker dan die werken aan het licht dat deze macht een reddende, een verlossende macht is, die pas in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde haar volkomen overwinning zal behalen.

De wonderen die in de apostolische tijd door de eerste getuigen werden verricht, zijn aan te merken als werken van de verhoogde Christus. Hand. 3:6, 4:10 Ze waren nodig om te bewijzen dat Jezus, die door de wereld verworpen, aan het kruis gehecht en gedood was en nu als dood beschouwd werd, leefde en alle macht had, niet alleen in de hemel, maar ook op de aarde. De wonderen in het Oude Testament brachten aan het licht dat Jehova God was en niemand naast Hem. De wonderen in het Nieuwe Testament tonen aan dat Jezus Christus, de Nazarener, die de Joden gekruisigd hebben, door God is opgewekt en aan zijn rechterhand is verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker. Hand. 4:10, 5:30-31 Als dit doel bereikt is, als er in de wereld een gemeente is geplant die deze openbaring van de Vader in de Zoon door de gemeenschap met de Heilige Geest gelooft en belijdt, dan houden de uiterlijke zichtbare wonderen op. Maar de geestelijke wonderen van de wedergeboorte en de bekering gaan verder in de gemeente, totdat de volheid van de heidenen binnengaat en heel Israël zalig wordt. Aan het einde van de tijden komen dan nog, volgens het getuigenis van de Heilige Schrift, de wonderen van de toekomst, de verschijning van Christus, de opstanding van de doden, het oordeel en de nieuwe hemel en aarde.

Op het herstel van het gevallen menselijk geslacht, op de herschepping van de wereld, op de erkenning van God als God door alle schepselen loopt de hele openbaring en lopen in die openbaring ook alle wonderen uit. Ze zijn dus geen vreemd element, geen willekeurig aanhangsel of bijvoegsel van de openbaring. Nee, ze maken er een noodzakelijk, een onmisbaar onderdeel van uit. Ze zijn zelf openbaring. In woord en daad maakt God zich met al zijn deugden en volmaaktheden aan mensen bekend.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in