4.8 – De algemene openbaring aan de heidenen

0
78

Toch mag dit niet worden opgevat alsof God zich niet met deze volken bemoeid heeft en hen aan hun eigen lot zou hebben overgelaten. Deze gedachte is op zichzelf al absurd. Want God is de Schepper, Onderhouder en Regeerder van alle dingen en er ontstaat, gebeurt en bestaat niets zonder zijn almachtige en alomtegenwoordige kracht.

Maar de Schrift spreekt ook herhaaldelijk beslist het tegendeel uit. Toen de Allerhoogste aan de volken het erfelijk bezit uitdeelde en Adams kinderen van elkaar scheidde, heeft Hij het grondgebied van de volken vastgesteld in overeenstemming met het aantal van de kinderen van Israël. Deut. 32:8 Bij de verdeling van de aarde heeft God rekening gehouden met Israël en voor zijn volk een land bestemd dat in overeenstemming was met hun aantal. Maar Hij heeft daarom ook aan alle volken hun erfelijk bezit uitgedeeld en hun grondgebied vastgesteld. Hij heeft uit één bloed heel het mensengeslacht gemaakt, met de bestemming dat het niet op één plaats, maar op de hele aardbodem zou wonen. Want Hij schiep de aarde niet opdat die leeg zou zijn, maar formeerde die opdat men erop zou wonen. Jes. 45:18 Zo heeft Hij dan ook de tijden toegemeten (afgebakend, vastgesteld) die tevoren voor de levensduur van de volken bestemd waren en ook de grenzen van hun woongebied. Leeftijd en woongebied van alle volken zijn bepaald in zijn raad en aangewezen door zijn voorzienigheid. Hand. 17:26

Verder heeft Hij, hoewel Hij in de voorbije tijden alle heidenen hun eigen gang heeft laten gang, zich toch niet onbetuigd gelaten. Hij heeft hun goedgedaan vanuit de hemel, hun regen en vruchtbare tijden gegeven en hun harten gevuld met voedsel en met vrolijkheid. Hand. 14:16-17 Hij liet zijn zon opgaan over slechten en goeden en liet het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Mat. 5:45 Door zijn openbaring in natuur en geschiedenis liet Hij zijn roepstem uitgaan tot ieders hart en geweten. Ps. 19:1 God maakte vanaf de schepping van de wereld in de schepselen zijn onzichtbare dingen, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid bekend. Rom. 1:19-20 De heidenen ontvingen geen wet, zoals het volk Israël, en in die zin hebben ze dus geen wet. Maar door in concrete gevallen toch te doen wat door de wet bevolen wordt, tonen ze dat ze in hun morele natuur zichzelf tot wet zijn, dat de handelwijze die door die wet geboden wordt in hun hart geschreven staat. En dit wordt ook bevestigd doordat de op het handelen volgende uitspraak van het geweten en van de onderlinge gedachten hen om beurten beschuldigt of ook verontschuldigt. Rom. 2:14-15

Het godsdienstig en moreel besef bij de heidenen bewijst dus dat God zich met hen is blijven bemoeien. Door het Woord dat in het begin bij God en zelf God was, zijn alle dingen gemaakt en vooral was in dat Woord het leven en het licht voor de mens: hun zijn en hun bewustzijn, hun bestaan en hun verstand is aan dat Woord te danken. En dat niet alleen in zijn begin en oorsprong, maar ook in de zin dat het voortdurend, van ogenblik tot ogenblik, door Gods Woord in stand gehouden wordt. Want dat Woord is niet alleen de maker van alle dingen. Het bleef ook in de wereld, als een onderhouder en regeerder van alles. En als onderhouder en regeerder schonk het niet alleen aan alle mensen het leven, maar verlichtte het met bewustzijn, verstand en rede ieder mens die door geboorte in de wereld kwam. Joh. 1:3-10

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in