4.8.3 – Het gezag van de profeten

0
83

Ezechiël beschrijft fraai welke macht profeten over het algemeen hadden: ‘”Mensenkind,” zegt de Heer, “Ik heb jou aangesteld als wachter over het huis van Israël. Dus als jij een woord uit mijn mond hoort, moet je het hen namens Mij bekendmaken.”’1 Als je bevel krijgt om te luisteren naar wat uit de mond van de Heer komt, wordt jou dan niet verboden om zelf iets te verzinnen? En de boodschap van de Heer overbrengen, wat is dat anders dan zo spreken dat je je er vrijmoedig op durft te laten voorstaan dat je niet je eigen woord, maar het woord van de Heer brengt?

Hetzelfde lees je in andere woorden bij Jeremia. Hij zegt: ‘Laat een profeet die een droom heeft, de droom vertellen. En laat wie een woord heeft, dat woord betrouwbaar naar waarheid spreken.’ Natuurlijk stelt hij hier een wet voor alle profeten samen. En die houdt in dat God niemand toestaat meer te leren dan hem bevolen is. En even later noemt hij alles wat niet alleen van God afkomstig is, kaf.2

Van de profeten heeft dus niemand zijn mond geopend als de Heer hem de woorden niet in de mond gaf. Daarom komen we bij hen zo vaak uitdrukkingen tegen als: ‘Het woord van de Heer,’ ‘de last van de Heer,’ ‘zo spreekt de Heer,’ ‘de mond van de Heer heeft gesproken,’ ‘een visioen van de Heer,’ ‘de Heer van de legermachten heeft gesproken.’ En terecht! Want Jesaja riep uit dat zijn lippen onrein waren, Jeremia erkende dat hij niet kon spreken omdat hij een kind was.3 Wat kon er uit Jesaja’s onreine en Jeremia’s onnozele mond voortkomen dat niet onrein of dwaas was, als ze hun eigen woorden hadden gesproken? Maar hun lippen waren heilig en rein toen ze instrumenten werden van de Heilige Geest.

Als de profeten gebonden zijn aan de verplichting om niets anders te spreken dan wat ze gekregen hebben, dan worden ze getooid met een opmerkelijke macht en schitterende benamingen. Want de Heer verklaart dat Hij hen heeft aangesteld over volken en koninkrijken, om uit te rukken en uit te roeien, om te vernietigen en te verwoesten, om te bouwen en te planten. En dan voegt Hij er meteen de reden aan toe: omdat Hij zijn woorden in hun mond gelegd heeft.4

1Ezechiël 3:17

2Jeremia 23:28

3Jesaja 6:5; Jeremia 1:6

4Jeremia 1:9-10

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in