Ik weet hoeveel brieven, hoeveel rescripten en edicten er zijn waarin bisschoppen van Rome aan hun stoel van alles toekennen en voor die stoel op van alles aanspraak maken. Maar ieder met ook maar een beetje verstand en opleiding weet ook dat de meeste van die geschriften zo flauw zijn dat je bij het proeven meteen gemakkelijk kunt merken uit welke werkplaats ze komen. Want neem nu die fraaie uitleg die bij Gratianus aan Anacletus I wordt toegeschreven: dat Kephas ‘hoofd’ betekent.1 Welk verstandig en nuchter mens zou denken dat die uitleg inderdaad van Anacletus is? Om hun stoel te verdedigen misbruiken de roomsen tegenwoordig tegen ons veel van dit soort onzin, dat Gratianus zonder onderscheid te maken bij elkaar gescharreld heeft. Vroeger in de duisternis bedrogen ze leken met zulke zotteklap. Maar nu we in zo’n groot licht leven, willen ze ons die nog steeds aansmeren! Maar ik wil niet veel moeite doen om die dingen te weerleggen. Ze zijn zo flauw dat ze zichzelf al duidelijk genoeg weerleggen.

Ik geef toe dat er ook echte brieven van oude bisschoppen van Rome bestaan, waarin ze met mooie, lovende woorden hoog opgeven van het aanzien van hun stoel. Bijvoorbeeld sommige brieven van Leo I. Want die man was net zo eerzuchtig en heerszuchtig als geleerd en welsprekend. Maar de vraag is of de kerken zijn getuigenis toen ook geloofden. En dan blijkt dat velen zich aan zijn eerzucht ergerden en zich ook tegen zijn heerszucht verzetten.
Ergens draagt Leo de bisschop van Thessalonica op om zijn plaatsvervanger te zijn in Griekenland en omliggende gebieden. Ergens anders draagt hij de bisschop van Arles of een ander hetzelfde op in Gallië.2 Op dezelfde manier stelt hij Hormisdas, de bisschop van Sevilla aan als zijn plaatsvervanger in Spanje. Maar overal stelt hij daarbij de bepaling dat voor de bisschoppen van de provinciehoofdsteden de oude privileges ongeschonden en onverminderd van kracht blijven.
Toch verklaart Leo zelf dat één van die privileges inhoudt dat de bisschop van de provinciehoofdstad als eerste geraadpleegd moet worden als er twijfels rijzen in een of andere kwestie. Deze plaatsvervanging gebeurde dus onder de voorwaarde dat geen enkele bisschop belemmerd mocht worden in zijn gewone rechtspraak, of een bisschop van een provinciehoofdstad in appelzaken of een provinciaal concilie in het besturen van de kerk.3 Wat betekende dat dus anders dan dat Leo zich van elke rechtspraak onthield, maar zichzelf alleen aanstelde als bemiddelaar, om voor zover binnen de wet en de aard van de kerkelijke gemeenschap paste, een eind te maken aan onenigheid?
1Gratianus, Decretum I, 22,2.
2Leo I, Epistulae, 85 en 83.
3Leo I, Epistulae, 89.


















