4.6.7 – De verhouding tussen Petrus en de andere apostelen

0
128

Toch kan eigenlijk niemand deze kwestie beter oplossen dan de Schrift zelf. Dan moeten we alle passages verzamelen waar de Schrift leert welke taak en welke macht Petrus had tussen de apostelen, hoe hij zich gedragen heeft en hoe hij door hen geaccepteerd werd. Ga alles langs wat daarover in de Schrift staat. Dan zul je niets anders vinden dan dat hij één van de twaalf geweest is, gelijk aan de anderen, hun collega en niet hun meester.

Weliswaar stelt hij in de vergadering dingen aan de orde als er iets besproken moet worden en hij wijst aan wat er moet gebeuren. Maar tegelijk luistert hij ook naar de anderen. Hij geeft hun niet alleen gelegenheid om hun mening te geven, maar staat hun toe te beslissen. En als zij iets vastgesteld hebben, gehoorzaamt hij daaraan.1

Als hij aan de herders schrijft, beveelt hij niet op grond van zijn gezag, alsof hij boven hen stond. Nee, hij spreekt tegen hen als tegen collega’s. Hij vermaant hen vriendelijk, zoals je dat altijd doet bij gelijken.2

Als hij wordt beschuldigd omdat hij bij heidenen in huis geweest is, geeft hij antwoord en verdedigt zich tegen deze beschuldiging, ook al is die niet terecht.3

Als zijn collega’s hem opdracht gegeven om samen met Johannes naar Samaria te gaan, weigert hij niet.4 Doordat de apostelen hem sturen, maken ze duidelijk dat ze hem absoluut niet als hun meerdere beschouwen. Doordat hij gehoorzaamt en de boodschap die hem wordt opgedragen, op zich neemt, erkent hij dat hij hun collega is en geen gezag over hen heeft.

En als er van al deze dingen niets te lezen zou staan, dan zou toch alleen de brief aan de Galaten gemakkelijk alle twijfel bij ons wegnemen. In die brief stelt Paulus twee hoofdstukken lang niets anders dan dat hij wat betreft de eer van het apostelschap gelijk staat aan Petrus. Daarom vertelt hij dat hij naar Petrus toegegaan is, niet om te laten zien dat hij zich onder hem schikte, maar alleen om voor iedereen te getuigen dat zij overeenstemden in de leer. Ook Petrus zelf heeft zoiets niet van hem geëist. Nee, hij heeft Paulus de rechterhand van broederschap gegeven, om samen in de wijngaard van de Heer te werken. Paulus vertelt dat hij onder de heidenen niet minder genade had gekregen dan Petrus onder de joden. En tenslotte, Paulus heeft Petrus terechtgewezen toen deze minder trouw handelde en Petrus heeft naar die berisping geluisterd.5 Al die dingen laten duidelijk zien, óf dat Paulus en Petrus aan elkaar gelijk waren, óf in elk geval dat Petrus niet meer macht over de anderen had dan zij over hem. En natuurlijk, zoals ik al gezegd heb, Paulus behandelt dit uitdrukkelijk om te voorkomen dat iemand Petrus of Johannes als apostelen boven hem zou stellen. Want ze waren zijn collega’s, niet zijn meesters.

1Handelingen 15:5-12

21 Petrus 5:1-4

3Handelingen 11:3-18

4Handelingen 8:14

5Galaten 1:18; Galaten 2:8; Galaten 2:11-14

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in