4.5.17 – Armoede is de echte glorie van de kerk

0
304

Maar op dit punt gebruiken de pausgezinden een heel mooie uitvlucht. Ze zeggen dat deze schittering gepast is om de waardigheid van de kerk hoog te houden. Sommigen van hun sekte zijn zo onbeschaamd dat ze openlijk durven pochen dat de voorzeggingen waarin de oude profeten de glans van Christus’ koninkrijk beschrijven, pas vervuld worden als die koninklijke pracht en praal zichtbaar is in de priesterorde. God heeft zijn kerk niet voor niets de volgende dingen beloofd, zeggen zij: ‘Koningen zullen komen. Zij zullen voor uw ogen bidden. Zij zullen u geschenken brengen.’ Psalm 72:10-11 ‘Sta op, sta op, trek je kracht aan, Sion, trek je sierlijke kleding aan, Jeruzalem!’ Jesaja 52:1 ‘Iedereen uit Scheba zal komen. Goud en wierook zullen ze meebrengen en ze zullen de Heer loven. Alle schapen van Kedar zullen bij jou verzameld worden.’ Jesaja 60:6-7

Ik ben bang dat ik dwaas zou lijken als ik lang de tijd zou nemen om deze onbeschaamdheid te weerleggen. Daarom heb ik geen zin om mijn woorden te verspillen. Toch vraag ik welke oplossing zij zouden geven als een Jood deze Schriftbewijzen zou misbruiken. Natuurlijk zouden ze hem berispen om zijn domheid, omdat hij op vlees en wereld toepast wat geestelijk gezegd wordt over het geestelijke rijk van Christus. We weten immers dat de profeten in het beeld van aardse dingen Gods hemelse glorie voor ons getekend hebben, die in de kerk moet schitteren. Want van deze zegeningen waar hun woorden van vertellen, heeft de kerk nooit zo weinig gehad als in de tijd van de apostelen. En toch erkent iedereen dat de kracht van Christus’ rijk toen het meest gefloreerd heeft.

Wat betekenen deze uitspraken dan? Dat alles wat ook maar kostbaar, verheven of geweldig is, onderworpen moet zijn aan de Heer. En dat uitdrukkelijk gezegd wordt dat koningen hun macht aan Christus zullen onderwerpen, hun kronen aan zijn voeten zullen werpen en hun schatten aan de kerk zullen wijden – wanneer is dat volgens hen echter en vollediger vervuld dan toen keizer Theodosius zijn purperen mantel uittrok, de tekenen van zijn keizerschap opgaf en zich als een man uit het volk voor God en de kerk onderwierp aan het doen van openbare boete? Toen hij en andere zulke vrome vorsten hun ijver en zorg gebruiken om de zuivere leer in de kerk te bewaren en de gezonde leraren te ondersteunen en te beschermen?

Maar de priesters baadden toen niet in overbodige luxe en rijkdom. Dat blijkt duidelijk genoeg uit die ene uitspraak van de synode van Aquileia (381), waarvan Ambrosius voorzitter was: ‘Voor de priesters van de Heer is armoede hun glorie.’ Natuurlijk hadden de bisschoppen toen wel wat bezittingen waarmee ze de kerk hadden kunnen versieren, als ze van mening geweest waren dat dat de echte versieringen van de kerk waren. Maar ze wisten dat niets zo in strijd is met de taak van herders als stralend pronken met tafelgenot, schitterende kleding en prachtige paleizen. Daarom volgden en cultiveerden ze de nederigheid en bescheidenheid, ja zelfs de armoede die Christus onder zijn dienaren geheiligd heeft.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in