4.4 – Gods openbaring tot aan de zondvloed

0
180

In de kringen van de Kaïnieten nam toen het ongeloof en de afval hand over hand en van generatie tot generatie toe. Men kwam er niet tot afgoderij en beeldendienst. Daarover vertelt de Schrift bij de mensheid vóór de zondvloed met geen enkel woord. Deze vormen van valse godsdienst zijn niet oorspronkelijk, maar product van latere ontwikkeling en bewijs van een godsdienstige zin die door de Kaïnieten in hun hart onderdrukt werd. Ze gaven zich niet over aan bijgeloof, maar aan ongeloof. Ze kwamen misschien niet tot theoretische, maar toch wel tot praktische ontkenning van Gods bestaan en openbaring. Ze deden alsof er geen God bestond. Ze aten en dronken, trouwden en gaven ten huwelijk, precies zoals het zal zijn in de toekomst van de Mensenzoon. Mat. 24:37 e.v. En ze wierpen zich met alle macht op de cultuur en zochten daarin hun heil. Gen. 4:17-24 Ze verheugden zich in een lang leven, dat soms honderden jaren duurde, Gen. 5:3 e.v. ze beschikten over rijke gaven en reusachtige lichaamskracht Gen. 4:23, 6:4 en pochten op de macht van hun zwaard. Gen. 4:23-24 Daarom beeldden ze zich in dat hun eigen arm hun heil kon bepalen.

Weliswaar werd in de nakomelingen van Seth de kennis en de dienst van God lange tijd zuiver bewaard. In de dagen van zijn zoon Enos begon men zelfs de naam van de Heer aan te roepen. Gen. 4:26 Daarmee wordt niet bedoeld dat men God toen pas begon te vereren met gebeden en offers, want dat vond ook vóór die tijd al plaats. Al bij Kaïn en Abel is er sprake van een offer en al wordt er niet uitdrukkelijk melding gemaakt van gebeden, ze zijn toch zeker van begin af aan in de dienst van God opgenomen. Want zonder gebed is er geen godsdienst denkbaar. Het offer zelf is een in gaven belichaamd gebed en gaat overal en altijd met gebed gepaard. Ook wil de uitdrukking van Genesis 4:26 niet aangeven dat men God toen specifiek met de naam van de Heer ging aanroepen. Want afgezien van de vraag of de naam Jehova toen al bekend was, het wezen van God dat in die naam werd uitgedrukt, is pas veel later door de Heer aan Mozes bekendgemaakt. Ex. 3:14 Maar hoogstwaarschijnlijk moeten we de aanroeping van de naam van de Heer waarmee men toen begon, zo opvatten dat de Sethieten zich gezamenlijk afzonderden van de Kaïnieten, eigen samenkomsten gingen houden onder belijdenis van de naam van de Heer en zo openlijk en gemeenschappelijk tegenover de Kaïnieten getuigenis gingen afleggen van hun trouw aan de dienst van God. Ze baden en offerden niet alleen meer op en voor zichzelf, maar er ging van hen voortaan ook een gemeenschappelijk getuigenis uit. Naarmate de Kaïnieten zich overgaven aan het dienen van de wereld en daarin al hun heil zochten, hebben de Sethieten zich verbonden aan God en zijn naam in gebed en dank, in prediking en belijdenis uitgeroepen te midden van een verdorven generatie.

Door deze openbare prediking bleef er voortdurend een roepstem tot bekering uitgaan naar de afstammelingen van Kaïn. En die hield aan, ook toen er verval van godsdienst en moraal kwam onder de Sethieten en zij zich met de wereld gingen vermengen. Enos’ kleinzoon droeg de naam Mahalaleël, lof aan God. Gen. 5:15 Henoch wandelde met God. Gen. 5:22 Lamech gaf bij de geboorte van zijn zoon Noach uiting aan zijn verwachting dat die hen troosten zou van het werk en het zwoegen van hun handen vanwege de aardbodem, die God had vervloekt. Gen. 5:29 En Noach zelf trad ten slotte op als een prediker van de gerechtigheid 2 Pet. 2:5 en verkondigde aan zijn tijdgenoten het evangelie van het behoud door de Geest van Christus. 1 Pet. 3:19-20

Maar deze vromen vormden hoe langer hoe meer een uitzondering. Sethieten en Kaïnieten vermengden zich en brachten kinderen voort die in geweld de vorige generaties nog overtroffen. Gen. 6:4 De slechtheid van de mens was groot, al de gedachtespinsels van zijn hart waren van zijn jeugd af aan en elke dag alleen maar slecht en de aarde werd door hem met geweld gevuld. Gen. 6:5, 6:12-13, 8:21 Hoewel God in zijn lankmoedigheid nog een uitstel van honderdtwintig jaren gaf Gen. 6:3, 1 Pet. 3:20 en in de prediking van Noach nog een weg aanwees om te ontkomen, wandelde de oude mensheid haar ondergang tegemoet en kwam ze ten slotte om in de wateren van de zondvloed.

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in