Insitutie Boek 4 – De genademiddelen 4.4 – De oude kerk 4.4.8 – Alle kerkelijke bezittingen moesten beschikbaar zijn voor de armen

4.4.8 – Alle kerkelijke bezittingen moesten beschikbaar zijn voor de armen

Bovendien gaven ze in het begin maar heel weinig uit om de heilige dienst te versieren. Ook later, toen de kerk iets rijker werd, bleven ze zich daarin beheersen. En al het geld dat ze daaraan uitgaven, bleef beschikbaar voor de armen, voor het geval de nood hoger zou worden.

Toen de provincie van Jeruzalem bijvoorbeeld getroffen werd door hongersnood en men de armoede niet op een andere manier kon bestrijden, verkocht Cyrillus1 vaatwerk en kleding en gebruikte hij de opbrengst om de armen eten te geven.

En toen een grote menigte van de Perzen haast van honger omkwam, riep Acatius, bisschop van Amida, de geestelijken bijeen en hield deze schitterende toespraak: ‘Onze God heeft geen schotels of bekers nodig, want Hij eet en drinkt niet.’ En vervolgens liet hij van het vaatwerk munten slaan om de armen eten en losgeld te geven.2

Ook Hiëronymus vertelt, als hij kritiek uit op te veel pracht en praal in kerken, met instemming dat Exuperius,3 in zijn tijd bisschop van Toulouse, het lichaam van de Heer in een rieten mand droeg en het bloed in een glas, terwijl hij geen enkele arme honger liet lijden.4

Wat ik zojuist over Acatius zei, vertelt Ambrosius over zichzelf. De arianen verweten hem dat hij heilig vaatwerk gebroken had om gevangenen los te kopen. Maar hij verontschuldigde zich schitterend: ‘Hij die de apostelen er zonder goud op uitstuurde, heeft de kerken ook zonder goud verzameld. De kerk heeft goud, maar niet om te bewaren. Nee, om uit te geven en hulp te bieden in tijden van nood. Waarom moet je bewaren waar je niets aan hebt? We weten toch hoeveel goud en zilver de Assyriërs uit de tempel van de Heer geroofd hebben? Is het niet beter dat een priester van het vaatwerk munten laat slaan om de armen eten te geven, als hij geen andere hulpmiddelen heeft, dan dat een heiligschennende vijand het rooft? Zal de Heer niet zeggen: “Waarom heb je zoveel armen van honger laten sterven, terwijl je goud had waarmee je voor eten had kunnen zorgen? Waarom zijn er zoveel door de vijand gedood? Je had beter het levende vaatwerk kunnen bewaren dan het metalen vaatwerk!” Hier heb je geen antwoord op. Want wat zou je kunnen zeggen? Ik was bang dat Gods tempel geen sieraden meer had? Hij zou antwoorden: “Het sieraad van de sacramenten is dat gevangenen verlost worden!”’5

Kortom, we zien dat het helemaal waar is wat dezelfde Ambrosius ergens anders zegt: alles wat de kerk toen bezat, was bestemd om de armen te onderhouden. En: een bisschop had niets dat niet van de armen was.6

1Cyrillus († 386), bisschop van Jeruzalem.

2Historiae ecclesiasticae tripartitae epitome V, 37 en XI, 16.

3Exuperius (ca. 400), bisschop van Toulouse.

4Hiëronymus van Stridon, Epistulae, 125,20.

5Ambrosius van Milaan, De officiis II, 28.

6Ambrosius van Milaan, Epistulae, 28,16 en 20,16.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. Een verbeterde versie van deze vertaling is verkrijgbaar in druk en als e-book. Het zal nog even duren voor alle laatste correcties ook op de website doorgevoerd zijn.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.