4.4.2 – Bisschoppen

0
71

De oude kerk noemde dus iedereen aan wie een leertaak was opgedragen ‘presbyters’ – ‘ouderlingen’. Dezen kozen in elke stad uit hun aantal één die ze specifiek de ‘bisschop’ – ‘opziener’ – noemden, om te voorkomen dat de gelijkheid tot onenigheid zou leiden. Dat gebeurt immers vaak. Toch stond de bisschop qua aanzien en waardigheid niet zo ver boven de anderen, dat hij over zijn collega’s kon regeren. Nee, hij fungeerde net als de consul in de senaat: hij stelde dingen aan de orde, peilde de meningen, adviseerde en vermaande de anderen en spoorde hen aan, leidde alles wat er gedaan werd met zijn gezag en voerde uit wat gezamenlijk besproken en besloten was. Dat was de functie van de bisschop in de vergadering van de presbyters.

En de oude schrijvers erkennen zelf dat dit is ingevoerd op basis van een idee van mensen, omdat het in die tijd nodig was. Hiëronymus zegt bijvoorbeeld in zijn verklaring van de brief aan Titus: ‘Een presbyter staat gelijk aan een bisschop. Door het inblazen van de duivel ontstond er onenigheid in de godsdienst en zei men onder het volk: “Ik ben van Paulus,” en: “Ik van Kefas.”1 Maar vóór die tijd werden de kerken geregeerd door alle presbyters samen. Later is alle zorg aan één man opgedragen, om de kiemen van onenigheid uit te roeien. Dus zoals de presbyters weten dat ze volgens de gewoonte van de kerk ondergeschikt zijn aan degenen die de leiding heeft, zo moeten de bisschoppen weten dat ze meer door gewoonte dan op basis van de waarheid van wat de Heer bepaald heeft boven de presbyters staan. Ze moeten de kerk dus regeren door gezamenlijk te overleggen.’

Maar ergens anders leert hij dat dit al een oude instelling is. Want hij zegt dat in Alexandrië de presbyters al sinds de evangelist Marcus, tot Heracles en Dionysius toe, een van hen uitkozen die ze boven zich plaatsten en bisschop noemden.2

Elke stad had dus een raad van presbyters die zowel herder als leraar waren. Want allemaal hadden ze de taak om het volk te onderwijzen, te vermanen en te bestraffen – de taak die Paulus de opzieners oplegt.3 En om voor opvolgers te zorgen, deden ze hun best om jongere mannen te onderwijzen, die zich hadden aangemeld voor de heilige militaire dienst.

Elke stad hoorde bij een bepaalde regio. Daar kwamen haar presbyters vandaan en ze werd beschouwd als onderdeel van het lichaam van die kerk. Elke raad stond onder één bisschop, alleen voor een ordelijk bestuur en om de vrede te bewaren. Maar die bisschop stond in waardigheid slechts zo ver boven de anderen, dat hij toch ondergeschikt was aan de vergadering van zijn broeders. Maar als het gebied dat onder zijn bisschopstaak viel zo uitgestrekt was dat hij zijn taak als bisschop niet overal kon vervullen, werden in dat gebied in bepaalde plaatsen presbyters aangewezen die hem vervingen bij minder belangrijke zaken. Zij werden regionale bisschoppen genoemd, omdat ze de bisschop in de provincie vertegenwoordigden.

11 Korinthiërs 1:12

2Hiëronymus, Epistulae 146,1

3Titus 1:9

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in