4.4.12 – De rol van de geestelijken

0
365

Ik geef toe dat er wel op het concilie van Laodicea (363) met een heel goede reden besloten is dat de verkiezing niet aan de massa moet worden overgelaten.1 Want het gebeurt haast nooit dat zoveel hoofden een zaak eenstemmig kunnen beslissen. Bijna altijd is dit spreekwoord waar: ‘Een weifelende massa wordt verscheurd in tegenstrijdige opvattingen.’

Maar tegen dit gevaar werd een uitstekende remedie gebruikt. Want eerst kozen de geestelijken alleen. Degene die zij gekozen hadden, stelden ze voor aan de overheid of aan de raad en de vooraanstaande burgers. Die hielden overleg en als ze de verkiezing terecht vonden, bevestigden ze die. Zo niet, dan kozen ze iemand anders, die ze beter vonden. Dan werd de zaak aan het volk voorgelegd. Dat was weliswaar niet gebonden aan de keus, maar kon zo toch minder oproer maken.

Soms begon de verkiezing bij het volk. Maar dat was dan alleen om te weten te komen wie het volk het liefst wilde. En als de wensen van het volk bekend waren, dan kozen de geestelijken. De geestelijken waren dan dus niet vrij om aan te stellen wie ze maar wilden. Maar ze hoefden ook niet perse naar de dwaze wensen van het volk te luisteren.

Leo I legt deze orde vast als hij ergens anders zegt: ‘Men moet vragen naar de wensen van de burgers, de verklaringen van het volk, het oordeel van de overheid en de keuze van de geestelijken.’ En: ‘Men moet een verklaring van de aanzienlijken hebben, een ondertekening van de geestelijken en toestemming van de raad en het volk.’ Hij zegt: ‘Het is om geen enkele reden toegestaan dat het anders gebeurt.’2

En het genoemde besluit van de synode van Laodicea heeft ook geen andere bedoeling dan dat geestelijken en leiders zich niet moeten laten meesleuren door een onbezonnen menigte. Het is beter dat ze zo nodig met hun eigen verstand en ernst de dwaze begeerten van het volk bedwingen.

1Concilie van Laodicea, canon 13.

2Leo I, Epistulae, 87.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in