4.3.4 – Apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraren

0
990

Degenen die de kerk regeren zoals Christus dat heeft ingesteld, noemt Paulus zo: als eerste apostelen, als tweede profeten, als derde evangelisten, als vierde herders en als laatste leraren.1 Van hen hebben alleen de laatste twee in de kerk een gewone taak. De andere drie heeft de Heer aan het begin van zijn rijk laten opstaan en die laat Hij ook zo nu en dan nog opstaan als de tijden dat nodig maken.

Wat de taak van apostelen is, blijkt uit dit bevel: ‘Ga op weg en predik het evangelie aan alle schepselen.’2 Er worden hun geen vaste grenzen gesteld. Nee, heel de wereld wordt hun aangewezen om die tot gehoorzaamheid aan Christus te brengen. Ze moeten overal ter wereld, waar ze maar kunnen, het evangelie verbreiden en zo overal Christus’ koninkrijk stichten.

Als Paulus wil bewijzen dat hij een apostel is, vertelt hij dat hij niet één stad voor Christus gewonnen heeft, maar wijd en zijd het evangelie verbreid heeft. En ook dat hij niet gebouwd heeft op het fundament van iemand anders, maar dat hij kerken geplant heeft waar de naam van de Heer nog onbekend was.3

De apostelen zijn dus gezonden om de wereld van afval tot echte gehoorzaamheid aan God terug te brengen. En om overal door de prediking van het evangelie zijn koninkrijk te stichten. Of, als je dat liever hebt, om als eerste bouwmeesters van de kerk in heel de wereld haar fundamenten te leggen.

Met profeten bedoelt Paulus niet iedereen die Gods wil uitlegt, maar alleen degenen die uitblonken door een speciale openbaring. Zulke profeten zijn er nu niet. Of als ze er zijn, vallen ze niet zo duidelijk op.

Met evangelisten worden volgens mij degenen bedoeld die weliswaar qua waardigheid onder de apostelen, maar qua taak toch het dichtst bij hen stonden. Soms functioneerden ze zelfs als hun plaatsvervangers. Lucas, Timotheüs, Titus en anderen waren zulke evangelisten. En misschien ook de zeventig leerlingen die Christus op de tweede plaats gesteld heeft, na de apostelen.4

Deze uitleg lijkt mij het meest in overeenstemming met Paulus’ bedoeling. En volgens deze uitleg waren deze drie taken niet in de kerk ingesteld om er continu te blijven, maar alleen voor de tijd waarin kerken gesticht moesten worden waar tot dan toe geen kerken geweest waren, of waar in elk geval kerken van Mozes naar Christus overgebracht moesten worden.

Overigens ontken ik niet dat God later soms ook apostelen, of in elk geval in hun plaats evangelisten heeft laten opstaan. Dat is ook in onze tijd gebeurd. Want zulke evangelisten waren nodig om de kerk terug te brengen van de dwalingen van de antichrist. Maar ondanks dat noem ik deze taak bijzonder. Want in kerken die zijn ingericht zoals het hoort, is er voor hen geen plaats.

Dan volgen de herders en leraren. Hen kan de kerk nooit missen. En volgens mij is dit het verschil tussen hen: leraren hebben niet de leiding over de tucht, de bediening van de sacramenten en de vermaningen en aansporingen. Ze hebben alleen de leiding over het uitleggen van de Schrift, om ervoor te zorgen dat onder de gelovigen de zuivere en gezonde leer bewaard blijft. Maar de taak van herders bevat wel al deze dingen.

1Efeziërs 4:11

2Marcus 16:15

3Romeinen 5:19-20

4Lucas 10:1

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in