4.3.16 – Handoplegging

0
145

Nu moeten we het alleen nog hebben over de manier van aanstellen. Dat was het laatste punt dat ik noemde. Het staat vast dat de apostelen, als ze iemand voor een bediening aanstelden, geen ander ritueel gebruikt hebben dan het opleggen van de handen. Volgens mij is deze manier van doen afkomstig van de Hebreeën. Wat zij wilden zegenen of heiligen, brachten ze door het opleggen van de handen als het ware God onder ogen. Bijvoorbeeld, toen Jacob Efraïm en Manasse wilde zegenen, legde hij zijn handen op hun hoofd.1 En onze Heer volgde dat voorbeeld toen Hij voor de kinderen bad.2 Volgens mij had het dezelfde betekenis dat de joden volgens het voorschrift van de de wet hun offerdieren de handen oplegden.

Daarom gaven de apostelen door het opleggen van de handen aan dat ze degene die ze wijdden aan de bediening, aan God aanboden. Al was dit voor hen ook gebruikelijk bij degenen aan wie ze de zichtbare gaven van de Geest schonken.3 Hoe dan ook, dit was het normale ritueel, telkens als ze iemand riepen voor een kerkelijke bediening. Zo wijdden ze steeds de herders en leraren en ook de diakenen.

Weliswaar bestaat er geen enkel uitdrukkelijk bevel over het opleggen van de handen. Maar we zien dat dat bij de apostelen altijd gebruikelijk was. Dat zij zich daar zo zorgvuldig aan hielden, moeten wij daarom toch als een gebod beschouwen.

En natuurlijk is het ook goed dat het volk door zo’n teken gewezen wordt op de waardigheid van de bediening. En ook dat degene die wordt aangesteld, er daardoor aan wordt herinnerd dat hij nu niet meer zijn eigen meester is, maar dat hij in slavernij is toegewezen aan God en de kerk.

Bovendien zal dit geen loos teken zijn als het wordt teruggebracht tot zijn oorspronkelijke betekenis. Gods Geest heeft niets voor niets ingesteld in de kerk. Als dat zo is, zullen we ervaren dat dit ritueel niet zinloos is, omdat het bij Hem vandaan komt. Als het maar niet veranderd wordt in bijgelovig misbruik.

Ten slotte moeten we ook weten dat niet heel de gemeente haar dienaren de handen oplegde. Alleen de herders deden dat. Weliswaar is het onzeker of dat steeds door meer dan één gebeurde of niet. Wel is het zeker dat meerderen het gedaan hebben bij de diakenen, bij Paulus en Barnabas en bij sommige anderen.4 Maar ergens anders vertelt Paulus dat hij, zonder anderen erbij, Timotheüs de handen opgelegd heeft. Hij zegt: ‘Ik herinner je eraan dat je Gods Geest moet aanwakkeren die in je is doordat ik je mijn handen opgelegd heb.’5 In de andere brief aan Timotheüs heeft Paulus het over ‘de handoplegging van het ouderlingschap’.6 Maar dat vat ik niet zo op dat Paulus bedoelt dat de raad van ouderlingen Timotheüs de handen had opgelegd. Volgens mij bedoelt hij gewoon Timotheüs’ aanstelling als ouderling. Dan zegt hij dus eigenlijk: ‘Zorg ervoor dat de genade die je gekregen hebt toen ik je tot ouderling aanstelde door je de handen op te leggen, niet tevergeefs is.’

1Genesis 48:14

2Mattheüs 19:15

3Handelingen 19:6

4Handelingen 6:6; Handelingen 13:3

52 Timotheüs 1:6

61 Timotheüs 4:14

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in