4.20.29 – Het is niet aan ons om slechte overheden te straffen

0
43

Deze eerbiedige, ja vrome houding zijn we tot het uiterste toe verschuldigd aan al onze overheden. Wat voor overheden dat ook zijn. Ik noem dit steeds opnieuw, omdat we moeten leren niet de personen zelf te beoordelen. We moeten het voldoende vinden dat ze dankzij de wil de van de Heer een positie innemen waar Hij een onschendbare majesteit ingegraveerd heeft.

Maar, zul je zeggen, overheden hebben van hun kant ook verplichtingen tegenover hun onderdanen. Dat heb ik al erkend. Maar als je daaruit opmaakt dat je alleen rechtvaardige overheden hoeft te gehoorzamen, redeneer je dwaas. Immers, ook mannen en hun vrouwen en ouders en hun kinderen zijn door wederkerige verplichtingen aan elkaar verbonden. Maar stel dat ouders of mannen van hun plicht afwijken. Ouders mogen hun kinderen volgens het verbod niet tot woede prikkelen.1 Maar stel dat ze hen zo hard en onbuigzaam behandelen dat ze hen met hun veeleisendheid veel te erg afmatten. Mannen moeten hun vrouwen volgens het bevel liefhebben en als zwakkere vaten ontzien.2 Maar stel dat ze hen heel schandelijk behandelen. Mogen kinderen dan hun ouders of vrouwen hun man minder gehoorzaam zijn? Nee! Ze moeten zich ook schikken onder slechte en liefdeloze ouders of mannen.

Sterker nog, ieder moet juist zijn best doen niet te kijken naar de gebreken van een ander. Dat wil zeggen: je moet niet bij een ander onderzoeken of die zijn plicht wel doet. Nee, ieder moet alleen zichzelf voorhouden wat hij zelf verplicht is. Dit geldt dus ook voor wie onder de macht van anderen geplaatst zijn. Dus stel dat we wreed gekweld worden door een wrede vorst. Stel dat we beroofd en geplunderd worden door een hebzuchtige vorst die graag royaal leeft. Stel dat we verwaarloosd worden door een zorgeloze vorst. En ten slotte, stel dat we vanwege onze vroomheid gekweld worden door een goddeloze en heiligschennende vorst. Dan moeten we in de eerste plaats terugdenken aan onze eigen zonden. Ongetwijfeld tuchtigt de Heer ons vanwege die zonden met zulke gesels.3 Dan zal onze nederigheid ons ongeduld in toom houden.

Bovendien moeten we dan ook bedenken dat het niet aan ons is om zulke rampen te genezen. Voor ons zit er niets anders op dan de Heer om hulp roepen. Het hart van koningen en de neigingen van koninkrijken zijn in zijn hand.4 Hij is de God die staat in de vergadering van de goden. Hij zal oordelen in het midden van de goden. Voor zijn aangezicht zullen alle koningen en rechters van de aarde neervallen en vergaan, die zijn Christus niet gekust hebben, die onrechtvaardige wetten hebben opgesteld om de armen te onderdrukken voor het gerecht en de zaak van onaanzienlijken geweld aan te doen, om weduwen te plunderen en wezen te beroven.5

1Efeziërs 6:4

2Efeziërs 5:25; 1 Petrus 3:7

3Daniël 9:7

4Spreuken 21:1

5Psalm 82:1; Psalm 2:12; Jesaja 10:1-2

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in