4.20.28 – Als God iemand aanstelt, wil Hij dat we hem erkennen

0
50

Het heeft geen zin als iemand zou tegenwerpen dat dit een speciaal gebod voor de Israëlieten was. Want je moet erop letten waar de Heer dit op baseert. Hij zegt: ‘Ik heb het koningschap aan Nebukadnessar gegeven. Daarom: dien hem. Dan blijven jullie leven.’1 We mogen er dus niet aan twijfelen dat als vaststaat dat iemand het koninkrijk gekregen heeft, we hem moeten dienen. En zodra de Heer iemand verheft tot de koninklijke waardigheid, bewijst Hij daarmee voor ons dat Hij wil dat diegene regeert. Want daarover staan algemene bewijzen in de Schrift. Salomo zegt: ‘Vanwege de onrechtvaardigheid van het land zijn er veel vorsten.’2 En Job: ‘Hij neemt de onderwerping weg van koningen en doet opnieuw een gordel om hun middel.’3 Als dat vaststaat, zit er niets anders op dan dat wij dienen. Dan blijven we leven.

Bij de profeet Jeremia staat nog een ander gebod van de Heer. Daarmee beveelt Hij zijn volk de vrede te zoeken van Babel, waar ze als gevangenen heengevoerd waren. Ze moesten Hem om die vrede bidden. Want in de vrede van Babel zou hun vrede liggen.4 Kijk, de Israëlieten zijn beroofd van al hun bezittingen, ze zijn weggerukt uit hun huizen, weggevoerd in ballingschap en in een ellendige slavernij geworpen. En dan krijgen ze bevel om te bidden om voorspoed voor hun overwinnaar. Niet zoals wij ergens anders het bevel krijgen om te bidden voor onze vervolgers.5 Nee, om ook zelf onder die overwinnaar voorspoedig te kunnen leven.

Daarom beschouwde ook David het leven van Saul als onschendbaar. Hij was al door Gods bepaling als koning aangewezen en met zijn heilige olie gezalfd. En Saul vervolgde hem onrechtvaardig, zonder dat hij van zijn kant ergens schuldig aan was. Maar de Heer had zijn belager geheiligd met de eer van het koningschap. Daarom zei David: ‘Ik mag dit mijn heer voor het aangezicht absoluut niet aandoen. Hij is de gezalfde van HEER. Ik mag mijn hand niet tegen hem uitsteken, want hij is de gezalfde van de HEER.’ En: ‘Ik heb u gespaard. Want ik zei: ik al mijn hand niet uitsteken tegen mijn heer. Want hij is de gezalfde van de HEER.’ En: ‘Wie zal zijn hand uitsteken tegen de gezalfde van de HEER en onschuldig blijven? Zo waar de HEER leeft, de HEER zal hem treffen. Óf de dag komt dat hij sterft, óf hij komt om als hij ten strijde trekt. Ik zal absoluut niet mijn hand uitsteken tegen de gezalfde van de HEER.’6

1Jeremia 27:5-17

2Spreuken 28:2

3Job 12:18

4Jeremia 29:7

5Mattheüs 5:44

61 Samuël 24:7; 1 Samuël 24:11; 1 Samuël 26:9-11

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in