4.20.10 – De zwaardmacht

0
94

Maar het lijkt erop dat hier een erg moeilijke vraag rijst: Gods wet verbiedt alle christenen om te doden.1 En de profeet Jesaja voorspelt over Gods heilige berg – de kerk – dat men elkaar daar geen kwaad zal doen of schade zal berokkenen.2 Hoe kunnen overheden dan vroom zijn en tegelijk bloed vergieten?

Maar we moeten inzien dat de overheid bij het straffen niet op eigen gezag handelt, maar Gods eigen oordelen uitvoert. Dan kan dit bezwaar ons niet hinderen. De wet van de Heer verbiedt om te doden. Doodslag mag dus niet ongestraft blijven. Daarom geeft de wetgever zelf zijn dienaren het zwaard in handen om het te gebruiken tegen ieder die doodt. Vromen horen geen pijn te doen of schade te berokkenen. Maar het is geen kwaad doen of schade berokkenen als je op bevel van de Heer het kwaad wreekt dat vromen wordt aangedaan. Je kunt dus gemakkelijk concluderen dat overheden in dit opzicht niet onderworpen zijn aan de algemene wet. Ook al bindt de Heer de handen van alle mensen, toch bindt Hij niet zijn rechtvaardigheid. Die handhaaft Hij via de handen van de overheid. Dat is hetzelfde als wanneer een vorst al zijn onderdanen verbiedt om iemand te slaan of schade te berokkenen. Dan verbiedt hij zijn dienaren ook niet om het recht te handhaven. Die taak heeft hij speciaal aan hen toevertrouwd.

Ach, beseften we maar altijd dat er hierbij niets gebeurt door menselijke overmoed, maar op gezag van God. Hij beveelt het en onder zijn leiding dwaal je nooit van het rechte pad af. Of zou Gods rechtvaardigheid beperkt zijn, zodat Hij misdaden niet zou kunnen bestraffen? We mogen Hem de wet niet voorschrijven. Waarom zouden we zijn dienaren dan ten onrechte beschuldigen? Zij dragen het zwaard niet voor niets, zegt Paulus. Want ze zijn Gods dienaren om te straffen, om misdadigers te wreken.3 Dus als vorsten en andere overheden weten dat de Heer nergens zo blij mee is als met hun gehoorzaamheid en als ze God hun vroomheid, rechtvaardigheid en oprechtheid willen bewijzen, dan moeten ze zich aan deze bediening wijden.

Dit verlangen dreef Mozes ertoe om de Egyptenaar dood te slaan. Hij begreep dat hij door de kracht van de Heer ertoe bestemd was om zijn volk te verlossen.4 En later, toen hij op één dag drieduizend man doodde en zo de heiligschennis door het volk bestrafte.5 Zo was het ook bij David, toen hij aan het eind van zijn leven zijn zoon Salomo gebood Joab en Simeï te doden.6 Daarom noemt hij als een van de goede eigenschappen van een koning ook dit: ‘De goddelozen in het land ombrengen, zodat allen die onrechtvaardig handelen, uit Gods stad worden uitgeroeid.’7 Daarop slaat ook de lof die Salomo wordt toegekend: ‘Je hebt rechtvaardigheid liefgehad en onrechtvaardigheid gehaat.’8

Hoe kan de zachtmoedige en vriendelijke Mozes in zo’n grote woede ontvlammen dat hij, bespat met en druipend van het bloed van zijn broeders, door het legerkamp loopt voor een nieuwe slachting? Hoe kan David, die heel zijn leven zo’n zachtmoedig man was, op het laatst van zijn leven zo’n bloederig testament maken, dat zijn zoon de grijze haren van Joab en Simeï niet in vrede in het graf mag laten neerdalen? Maar beiden hebben ze door zo te handelen, hun handen geheiligd. Ze voerden de wraak uit die God hun had opgedragen. Als ze hadden nagelaten om te straffen, dan zouden ze hun handen besmeurd hebben.

Salomo zegt: ‘Het is afschuwelijk als koningen onrechtvaardigheid bedrijven. Want een troon wordt bevestigd door rechtvaardigheid.’ En: ‘Een koning die op de rechterstoel zit, laat zijn ogen vallen op al het kwaad.’ En: ‘Een wijze koning verstrooit de goddelozen en laat het rad over hen gaan.’ En: ‘Doe het schuim van het zilver weg, dan komt er een voorwerp voor de zilversmid uit. Doe de goddeloze weg van voor de ogen van de koning, dan zal zijn troon bevestigd worden in rechtvaardigheid.’ En: ‘Wie een goddeloze rechtvaardigt en wie een rechtvaardige veroordeelt, zijn voor de HEER een gruwel, allebei.’ En: ‘Een opstandige zoekt kwaad voor zichzelf en er wordt een wrede boodschapper naar hem gezonden.’ En: ‘Wie tegen een goddeloze zegt: “Je bent rechtvaardig,” zal door de volken vervloekt worden.’9

Nou, als het hun ware rechtvaardigheid is dat ze schuldigen en goddelozen met getrokken zwaard vervolgen, dan maken ze zich schuldig aan heel erge goddeloosheid als ze het zwaard in de schede steken en hun handen schoon houden van bloed, terwijl slechte mensen ondertussen misdadig tekeer gaan met moord en doodslag. Daarmee verdienen ze echt geen lof mee dat ze goed en rechtvaardig zijn.

Alleen, weg met barse en ruwe wreedheid en met een rechtbank die terecht een klip genoemd wordt waar aangeklaagden op stuk lopen.10 Want ik ben niet iemand die ongepaste wreedheid zou willen steunen of die zou denken dat er een eerlijk oordeel uitgesproken kan worden zonder dat daarbij ook de allerbeste adviseur van koningen zitting heeft, die zoals Salomo zegt, de veiligste bescherming biedt aan een koninklijke troon: welwillendheid.11 In het verleden heeft iemand die de belangrijkste gave van vorsten genoemd.

Bij personen in een overheidsfunctie moeten we echter op twee dingen letten. Zo iemand mag niet te streng zijn en daardoor meer verwonden dan genezen. En hij mag niet uit een bijgelovig streven naar welwillendheid vervallen tot een wrede menslievendheid, door zo op te gaan in een zwakke toegeeflijkheid dat velen verloren gaan. Niet voor niets is onder de regering van Nerva ook eens gezegd dat het weliswaar erg is als je leeft onder een vorst die niets toestaat, maar nog veel erger onder een vorst die alles toestaat.

1Exodus 20:13; Deuteronomium 5:17; Mattheüs 5:21

2Jesaja 11:9; Jesaja 65:25

3Romeinen 13:4

4Exodus 2:12; Handelingen 7:24

5Exodus 32:27-28

61 Koningen 2:5-9

7Psalm 101:8

8Psalm 45:8

9Spreuken 16:12; Spreuken 20:8; Spreuken 20:26; Spreuken 25:4-5; Spreuken 17:15; Spreuken 17:11; Spreuken 24:24

10Zoals de rechtbank van Cassius; Seneca, De clementia I, 3,3

11Spreuken 20:28

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in