4.2.3 – De roomse kerk beroept zich op valse kenmerken

0
127

Daarom gebruiken de roomsen tegenwoordig geen ander voorwendsel dan de joden vroeger gebruikten als de profeten hen beschuldigden van blindheid, goddeloosheid en afgoderij. Zij pochten immers op de tempel, de rituelen en het priesterschap. Zij dachten dat die overtuigende bewijzen vormden om de kerk aan af te meten. En zo houden ook de roomsen ons in plaats van de kerk enkele uiterlijke maskers voor. Die hebben vaak weinig met de kerk te maken en de kerk kan heel goed bestaan zonder die dingen.

Daarom kan ik hun beweringen met hetzelfde argument weerleggen waarmee Jeremia dat dwaze vertrouwen van de joden bestreed: ze moesten niet pochen op leugens, door te zeggen: ‘De tempel van de HEER, de tempel van de HEER, de tempel van de HEER is dit!’1 Want de Heer erkent nooit iets als van Hem als er niet geluisterd wordt naar zijn Woord en men zich daar niet zorgvuldig aan houdt. Dus ook al zetelde Gods heerlijkheid tussen de cherubs en ook al had Hij hun beloofd dat dat altijd zo zou zijn,2 toch verhuist Hij naar een andere plek en laat Hij geen enkele heiligheid achterblijven, als de priesters de dienst aan Hem bederven met verkeerd bijgeloof.

De tempel leek geheiligd als Gods eeuwige woonplaats. Maar als die door God verlaten en onheilig kan worden, dan is er geen reden waarom de roomsen ons zouden kunnen wijsmaken dat God zo aan personen of plaatsen gebonden is en gehecht aan uiterlijke rituelen, dat Hij wel moet blijven bij degenen die slechts in naam en in schijn de kerk hebben.

En dit is waar Paulus tegen strijdt in zijn brief aan de Romeinen, in hoofdstuk 9 tot en met 12. Want het bracht zwakke gewetens hevig in verwarring dat de joden Gods volk leken te zijn, maar toch de leer van het evangelie niet alleen afwezen, maar zelfs vervolgden. Dus nadat Paulus die leer heeft uitgelegd, ruimt hij vervolgens deze hindernis op en ontkent dat die joden, vijanden van de waarheid, de kerk zijn. Ook al misten ze niets dat verder nog verlangd kon worden voor de uiterlijke vorm van de kerk. Hij ontkent dat zij de kerk vormen, omdat ze Christus niet omhelsden.

In de brief aan de Galaten zegt hij het nog iets duidelijker. Daar maakt hij een tegenstelling tussen Ismaël en Isaak en zegt dat in de kerk velen een plaats hebben voor wie de erfenis niet geldt, omdat ze geen eerstgeborenen zijn uit een vrije moeder.3 En op basis daarvan maakt hij ook een tegenstelling tussen twee Jeruzalems. Want op de berg Sinaï is de wet gegeven, maar uit Jeruzalem is het evangelie voortgekomen. En zo zijn er velen die geboren en opgevoed zijn als slaaf, maar zich er zonder aarzelen op beroemen dat ze Gods kinderen en de kerk zijn. Sterker nog, zij kijken trots neer op Gods echte kinderen, ook al zijn ze zelf bastaarden.

Maar we horen dat eenmaal vanuit de hemel is gezegd: ‘Jaag de slavin en haar zoon weg!’4 Daarom kunnen we aan de andere kant op basis van dit onveranderlijke besluit hun dwaas gepoch ook minachten. Immers, gaan zij prat op een uiterlijke besnijdenis? Ook Ismaël was besneden. Wijzen zij op hun ouderdom? Hij was de eerstgeborene, maar toch zien we dat hij verworpen wordt. Zoek je naar de reden? Paulus wijst die aan: als kinderen worden alleen zij beschouwd, die geboren zijn uit het zuivere en wettige zaad van de leer.5

Daarom ontkent God dat Hij gebonden zou zijn aan de goddeloze priesters omdat Hij een verbond gesloten had met hun voorvader Levi, zodat die voor Hem een gezant of uitlegger zou zijn. Sterker nog, Hij keert zich tegen hun valse gepoch, waarmee zij steeds weer in opstand komen tegen de profeten: dat je bijzonder veel waarde moest hechten aan de waardigheid van het priesterschap. God geeft dat graag toe en berispt hun juist op grond van het feit dat Hij bereid is zich aan zijn verbond te houden. Maar zij houden zich er van hun kant niet aan! Daarom verdienen ze het om afgewezen te worden.6

Kijk eens wat voor waarde de opeenvolging heeft als die niet gepaard gaat met imitatie en op dezelfde manier doorgaan: zodra bewezen is dat de opvolgers zijn afgeweken van hun oorsprong, zijn ze alle eer kwijt! Kajafas was de opvolger van vele vrome priesters. Ja, van Aäron af tot hem toe is er een onafgebroken rij priesters geweest. Was die misdadige vergadering daarom de naam ‘kerk’ waard? Zelfs bij wereldlijke regeringen zou zoiets onverdraaglijk zijn! Stel je voor dat we de tirannie van Caligula, Nero, Heliogabalus en dergelijken de ware toestand van het gemenebest van de stad Rome zouden noemen, omdat zij goede leiders als Brutus, Scipio en Camillus opgevolgd hebben, die door het volk waren aangesteld! Maar vooral in het bestuur van de kerk is niets zo absurd als dat we de opeenvolging alleen leggen in personen en de leer aan de kant schuiven.

En het was zeker niet de bedoeling van de heilige leraren die de roomsen ten onrechte tegen mij aanvoeren, om op basis van een erfelijk recht te bewijzen dat overal waar de ene bisschop de anderen heeft opgevolgd, kerken zijn. Nee, het stond buiten kijf dat er vanaf het begin tot hun tijd toe niets in de leer veranderd was. Om alle nieuwe dwalingen omver te werpen was het dus voldoende om als uitgangspunt te nemen dat die dwalingen in strijd waren met de leer die vanaf de apostelen standvastig en eensgezind bewaard was. Er is dus geen reden waarom de roomsen de schijn zouden blijven ophouden met de naam ‘kerk’. Ook wij hebben eerbied voor die naam, zoals het hoort. Maar als het aankomt op een nadere definitie, dan moeten zij niet alleen, zeg maar, door de modder strompelen. Nee, ze blijven er zelfs in steken. Want ze stellen een schandelijke hoer in de plaats van Christus’ heilige bruid!

En om te voorkomen dat die vervanging ons misleidt, moet naast andere waarschuwingen ook deze waarschuwing van Augustinus ons te hulp komen. Als hij het over de kerk heeft, zegt hij: ‘Soms is zij verduisterd en als het ware gehuld in een dichte nevel van een massa aan ergernissen. En soms lijkt ze door de kalmte van de tijd rustig en vrij te zijn en soms wordt ze overspoeld door golven van verdrukkingen en beproevingen en in verwarring gebracht.’7 Hij geeft voorbeelden van hoe meer dan eens de sterkste pijlers van de kerk óf voor hun geloof moedig in ballingschap verbleven, óf voor heel de wereld verborgen bleven.

1Jeremia 7:14

2Ezechiël 10:4

3Galaten 4:22

4Genesis 21:10

5Romeinen 9:6-9

6Maleachi 2:4-9

7Augustinus, Epistulae 93

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in