4.2.10 – We mogen niet gehoorzamen aan de roomse kerk

0
125

Maar wat betreft hun tweede eis bestrijd ik hen nog krachtiger. Want we moeten het oordeel van de kerk eerbiedigen, haar gezag erkennen, haar vermaningen gehoorzamen, door haar berispingen in beweging gebracht worden, haar gemeenschap in alles nauwkeurig in stand houden. Maar als we zo naar de kerk kijken, dan kunnen we niet toegeven dat de roomsen de kerk zijn, zonder dat wij ons aan die kerk moeten onderwerpen en die moeten gehoorzamen.

Ik geef hun echter graag toe wat de profeten hebben toegegeven aan de Judeeërs en Israëlieten van hun tijd, toen de dingen er daar net zo of beter voor stonden. Maar we zien dat de profeten steeds weer uitroepen dat hun samenkomsten onheilig zijn1 en dat je daar evenmin mee mag instemmen als dat je God mag verloochenen. En als dat kerken geweest zijn, dan betekent dat natuurlijk dat in Israël Elia, Micha en dergelijke mannen en in Juda Jesaja, Jeremia, Hosea en anderen die door de profeten, de priesters en het volk van hun tijd meer gehaat en verafschuwd werden dan onbesnedenen, buiten Gods kerk stonden. Als dat kerken waren, dan is de kerk dus geen pijler van de waarheid,2 maar een steunpilaar voor de leugen. Geen tabernakel van de levende God, maar een woonplaats voor afgoden. Voor de profeten was het dus nodig om afstand te nemen van de eensgezindheid met die vergaderingen. Die waren niets anders dan een goddeloze samenzwering tegen God!

Zo is het ook nu. Stel dat iemand de tegenwoordige vergaderingen van de pausgezinden, die besmet zijn met afgoderij, bijgeloof en een goddeloze leer, zou erkennen als kerken, waar een christen volledig één mee moet blijven, zodat hij zelfs met hun leer moet instemmen. Dan zou hij erg dwalen!

Immers, als dat kerken zijn, dan hebben zij de sleutelmacht. Maar de sleutels zijn onlosmakelijk verbonden met het Woord. En dat is bij hen onderuit gehaald.

Bovendien, als dat kerken zijn, geldt voor hen Christus’ belofte: ‘Wat jullie zullen binden …’3 Maar zij verstoten uit hun gemeenschap iedereen die oprecht belijdt dat hij een dienaar van Christus is. Dus óf Christus’ belofte is loos, óf zij zijn in elk geval in dit opzicht geen kerk.

Tenslotte, in plaats van de bediening van het Woord, hebben zij scholen van goddeloosheid en een smerige verzameling van allerlei dwalingen. Daarom zijn dat volgens deze redenering geen kerken. Anders zouden we geen kenmerk meer over hebben waarmee we de wettige vergaderingen van de gelovigen kunnen onderscheiden van de bijeenkomsten van moslims.

1Jesaja 1:14

21 Timotheüs 3:15

3Mattheüs 16:19; Mattheüs 18:18; Johannes 20:23

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in