4.19.34 – Vijfde vals sacrament: het huwelijk

0
62

Het laatste sacrament is het huwelijk. Daarvan erkent weliswaar iedereen dat God het heeft ingesteld.1 Maar tot aan de tijd van Gregorius de Grote had nog niemand gezien dat het een sacrament was. En welk verstandig mens zou ook ooit op dat idee komen? Het is een goede en heilige bepaling van God. Ook de landbouw, de architectuur en het vak van schoenmakers en kappers zijn wettige bepalingen van God. Toch zijn dat geen sacramenten. Want voor een sacrament is het niet alleen nodig dat het Gods werk is. Het is ook nodig dat het een uiterlijk ritueel is dat God heeft ingesteld om een belofte te bevestigen. Zelfs kinderen kunnen concluderen dat zoiets bij het huwelijk niet het geval is.

Maar, zeggen de roomsen, het is een teken van iets heiligs: van de geestelijke eenheid tussen Christus en de kerk. Als ze met het woord ‘teken’ een symbool bedoelen dat God ons presenteert met het doel de zekerheid van ons geloof te versterken, dan dwalen ze ver van het doel af. Als ze simpelweg als teken aannemen wat gebruikt wordt als vergelijking, zal ik laten zien hoe slim zo’n redenering van hen is. Paulus zegt: ‘Zoals sterren van elkaar verschillen in glans, zo zal het ook zijn bij de opstanding van de doden.’2 Kijk, één sacrament! Christus zegt: ‘Het koninkrijk van de hemel is net een mosterdzaad.’ Kijk, dat is twee! En: ‘Het koninkrijk van de hemel is net zuurdesem.’3 Kijk, dat is drie! Jesaja zegt: ‘De Heer zal zijn kudde hoeden als een herder.’4 Kijk, dat is vier! Ergens anders: ‘De Heer zal optrekken als een held.’5 Kijk, dat is vijf! Maar waar is de grens? Op deze manier is alles een sacrament. Zoveel gelijkenissen en vergelijkingen er in de Schrift zijn, zoveel sacramenten zijn er dan. Zelfs diefstal is dan een sacrament. Want er staat geschreven: ‘De dag van de Heer komt als een dief.’6

Wie zou die sofisten kunnen verdragen als ze zo dwaas kletsen? Ik geef toe dat het goed is als je, telkens als je een wijnstok ziet, terugdenkt aan wat Christus zegt: ‘Ik ben de wijnstok, jullie zijn de ranken en mijn Vader is de wijnboer.’7 En telkens als je een herder tegenkomt met zijn kudde is het goed om te denken aan deze woorden: ‘Ik ben de goede herder. Mijn schapen horen mijn stem.’8 Maar als iemand zulke gelijkenissen als sacramenten zou willen beschouwen, zou hij zich toch moeten laten genezen van zijn krankzinnigheid.

1Genesis 2:21-24; Mattheüs 19:4-6

21 Korinthiërs 15:41-42

3Mattheüs 13:31-33

4Jesaja 40:10-11

5Jesaja 42:13

61 Thessalonicenzen 5:2

7Johannes 15:1-5

8Johannes 10:11-27

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in