4.19.14 – Tweede vals sacrament: de boete

0
208

Op de tweede plaats zetten mijn tegenstanders de boete. Daarover spreken ze zo verward en chaotisch dat je in je geweten geen enkele zekerheid of solide basis kunt krijgen uit hun leer. Ik heb ergens anders uitgebreid verteld wat we uit de Schrift leren over berouw en boete en vervolgens ook wat zij daarover leren. Nu hoef ik alleen nog maar even aan te stippen welke argumenten zij gehad hebben om te komen tot hun opvatting die sinds lange tijd geheerst heeft in kerken en scholen: dat de boete een sacrament is.

Toch moet ik eerst kort iets zeggen over de gewoonte van de oude kerk. Mijn tegenstanders misbruiken die als voorwendsel om hun verzinsel te bevestigen. In de oude kerk hield men zich bij openbare boete aan deze orde: degenen die de boete volbracht hadden die hun was opgelegd, werden door een openlijke handoplegging verzoend. Dat was het teken van absolutie. Daardoor werd de zondaar zelf voor God opgebeurd door het vertrouwen op vergeving en werd de kerk aangespoord de herinnering aan de misdaad uit te wissen en de zondaar welwillend in genade aan te nemen. Cyprianus noemt dit vaak ‘vrede geven’.1 En om die handeling extra serieus te maken en bij het volk extra aan te bevelen, werd vastgesteld dat daarbij steeds het gezag van de bisschop tussenbeide zou komen.

Vandaar het besluit van het tweede concilie van Carthago (390): ‘Het is een priester niet toegestaan iemand die openbaar boete doet, in de mis te verzoenen.’

En een ander besluit van het concilie van Orange (441): ‘Wie tijdens het doen van boete uit dit leven vertrekken, moeten zonder de handoplegging van verzoening tot de gemeenschap worden toegelaten. Als ze toch nog van hun ziekte herstellen, moeten ze in het midden van de groep boetelingen staan en als hun tijd erop zit, moeten ze de handoplegging van verzoening krijgen.’

En het besluit van het derde concilie van Carthago (397): ‘Een priester mag een boeteling niet verzoenen buiten het gezag van de bisschop om.’

Dit was allemaal bedoeld om te voorkomen dat de strengheid die ze daarin in praktijk gebracht wilden zien, in verval zou raken doordat er te gemakkelijk boete gedaan werd. Daarom wilden ze dat de bisschop kennis zou nemen van de zaak. Want het was waarschijnlijker dat hij zorgvuldiger zou zijn als hij onderzoek deed.

Hoewel, Cyprianus vertelt ergens dat niet alleen de bisschop, maar alle geestelijken de handen oplegden. Want hij zegt: ‘Ze doen vrij lang boete. Daarna komen ze naar de gemeenschap en krijgen het recht daar deel van uit te maken door handoplegging door de bisschop en de geestelijken.’2

Daarna is het na verloop van tijd zover gekomen dat men dit ritueel niet alleen gebruikt voor openbare boete, maar ook bij persoonlijke absolutie. Daaruit ontstond het onderscheid dat bij Gratianus gemaakt wordt tussen openbare en persoonlijke verzoening.3

Naar mijn mening was de praktijk die Cyprianus noemt, heilig en voor de kerk gezond. En ik zou graag willen dat die praktijk tegenwoordig weer hersteld werd. Weliswaar durf ik deze nieuwere manier van verzoening niet afkeuren of en in elk geval niet scherp bekritiseren. Maar toch vind ik die minder nodig.

Hoe dan ook, in elk geval zien we dat handoplegging bij het doen van boete een ritueel is dat door mensen is ingesteld en niet door God. Het hoort bij de dingen die er op zichzelf niet toe doen. We moeten het beschouwen als een uiterlijke training die we niet moeten minachten, maar waar we toch minder waarde aan moeten hechten dan aan de rituelen die Gods Woord ons aanbeveelt.

1Cyprianus van Carthago, Epistulae 62,1.

2Cyprianus van Carthago, Epistulae, 16,2.

3Gratianus, Decretum II, 26,6.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in