Nu kunnen we gemakkelijk beoordelen wat voor leer er in het pausdom heerst en van wie die leer afkomstig is. Het is een leer die met haar vreselijke strengheid arme en door angst en verdriet in het nauw gebrachte zondaren berooft van de troost van dit sacrament. Terwijl hun daarin juist alles gepresenteerd wordt wat er in het evangelie valt te genieten! Natuurlijk was dit voor de duivel de kortste weg om mensen verloren te laten gaan, door hen zo dwaas te maken dat ze het voedsel waarmee de goede hemelse Vader hen wil voeden, niet proeven.

Dus om te voorkomen dat we in zo’n afgrond storten, moeten we bedenken dat deze heilige maaltijd voor zieken een geneesmiddel, voor zondaren troost en voor armen een groot geschenk is. Maar gezonden, rechtvaardigen en rijken – als die er al te vinden zouden zijn – zou het niets zinnigs opleveren. Immers, in deze maaltijd krijgen we Christus als voedsel. Daarom beseffen we dat we zonder Hem wegkwijnen, wegsmelten en vergaan, net zoals onze lichaamskracht vergaat als we niet eten. Bovendien krijgen we Hem om te leven. Daarom beseffen we dat we zonder Hem in onszelf volledig dood zijn.

De enige en de beste waardigheid die we voor God kunnen meenemen is dus dat we Hem onze waardeloosheid en – zeg maar – onze onwaardigheid aanbieden, zodat Hij ons door zijn barmhartigheid Hem waard kan maken. Dat we in onszelf de moed opgeven, zodat we ons in Hem mogen troosten. Dat we ons vernederen, zodat Hij ons kan oprichten. Dat we onszelf aanklagen, zodat Hij ons kan rechtvaardigen. En ook dat we de eenheid nastreven die Hij ons in zijn avondmaal aanprijst. En dat we graag willen dat we allemaal één ziel, één hart en één tong hebben, net zoals Hij ons allemaal één maakt in Hem.

Als we hier over nadenken, zullen die gedachten ons noot schokken, ons nooit neerwerpen. Wij hebben helemaal niets goeds! We zijn besmeurd met het vuil van de zonden! We zijn halfdood! Hoe kunnen wij het waard zijn om het lichaam van de Heer te eten? Maar we bedenken juist dat we als armen bij een royale gever komen. Als zieken bij de arts. Als zondaren bij de bron van rechtvaardigheid. En ten slotte als doden bij Hem die levend maakt. Dat de waardigheid die God beveelt vooral ligt in het geloof dat alles in Christus en niets in onszelf legt. En in de liefde en dan een liefde die we God mogen aanbieden, ook als ze onvolmaakt, zodat Hij die kan corrigeren en laten groeien, aangezien wij geen volmaakte liefde kunnen bewijzen.

Anderen zijn het wel met mij eens dat de waardigheid zelf ligt in geloof en liefde. Toch zijn ze ver afgedwaald wat betreft de norm voor die waardigheid. Want ze eisen zo’n volmaakt geloof dat daar niets aan mag ontbreken. Een een liefde die even groot is als de liefde die Christus ons bewezen heeft. Maar daarmee jagen ze evengoed als de eersten iedereen weg van de toegang tot dit heilig avondmaal. Want als zij gelijk zouden hebben, zou niemand het waard zijn om het avondmaal te ontvangen. Want iedereen, tot de laatste toe, zou dan schuldig staan aan onvolmaaktheid en daarvan overtuigd zijn. Het zou werkelijk wel heel dom, om niet te zeggen dwaas, zijn als je bij het ontvangen van dit sacrament een volmaaktheid zou eisen die dat sacrament onnodig en overbodig zou maken. Want het is niet ingesteld voor volmaakten, maar voor zwakken om hen in hun gevoelens van geloof en liefde op te wekken, aan te sporen en te trainen en om het tekort aan beide te corrigeren.

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in