4.17.29 – Christus heeft een echt menselijk lichaam

0
55

Maar mijn tegenstanders hebben veel vertrouwen in deze schuilplaats van een onzichtbare aanwezigheid. Dus, kom op, laten we eens kijken hoe goed ze zich daarin kunnen verstoppen.

Om te beginnen kunnen ze geen nog geen lettergreep opdiepen uit de Schrift om te bewijzen dat Christus onzichtbaar is. Maar zij nemen als vaststaand aan wat niemand met gezond verstand hun zal toegeven: dat Christus’ lichaam in het avondmaal alleen gegeven kan worden bedekt met het masker van het brood. Juist daarover gaan ze met ons in discussie. Het is dus absoluut geen vaststaand uitgangspunt!

Maar als ze zo kletsen, zijn ze gedwongen om aan te nemen dat Christus een dubbel lichaam heeft. Want volgens hen is het zichtbaar in de hemel, maar in het avondmaal door een speciale dispensatie onzichtbaar. Maar op basis van andere Schriftpassages en ook op basis van het getuigenis van Petrus kun je gemakkelijk beoordelen hoe goed dat in elkaar past. Petrus zegt dat Christus in de hemel opgenomen of ingesloten moet worden totdat Hij terugkomt.1 Maar mijn tegenstanders leren dat Hij overal is, maar dan zonder zichtbare gedaante. Zij voeren aan dat het niet past bij de natuur van zijn verheerlijkt lichaam dat het onderworpen zou zijn aan de wetten van de algemene natuur.

Maar dit antwoord sleept de waanzin met zich mee van Servet, waar alle vromen terecht een afkeer van hebben: dat Christus’ God zijn zijn lichaam opgeslokt heeft. Ik zeg niet dat dat de overtuiging van mijn tegenstanders is. Maar als je onder de gaven van het verheerlijkt lichaam ook meetelt dat het op een onzichtbare manier als vult, dan is het duidelijk dat je de substantie van het lichaam uitwist. En dan blijft er geen verschil meer over tussen Christus’ God zijn en zijn menselijke natuur.

Bovendien, als Christus’ lichaam zo veelvormig en veelzijdig is dat het op de ene plek zichtbaar is, maar op een andere plek onzichtbaar, wat is er dan nog over van de eigenlijke aard van een lichaam, dat bestaat uit het hebben van bepaalde afmetingen? En wat is er dan nog over van de eenheid? Tertullianus heeft meer gelijk als hij schrijft dat Christus’ lichaam een echt natuurlijk lichaam was, omdat de zichtbare vorm ervan ons in het sacrament van het avondmaal gepresenteerd wordt als onderpand en garantiebewijs van het geestelijke leven. De zichtbare vorm zou vals zijn als dat wat het uitbeeldt, niet echt zou zijn. En natuurlijk zei Christus over zijn verheerlijkt lichaam: ‘Kijk en raak aan, want een geest heeft geen vlees en botten.’2 Kijk, Christus’ eigen mond bewijst de echtheid van zijn vlees. Want het kan aangeraakt en gezien worden. Haal een van deze twee eigenschappen weg en het is geen vlees meer.

Mijn tegenstanders nemen steeds de toevlucht tot de schuilplaats van de dispensatie die zij zelf gefabriceerd hebben. Maar het onze plicht om wat Christus expliciet uitspreekt zo te omhelzen dat wat Hij wil verklaren voor ons geldig is zonder uitzondering. Hij bewijst dat Hij geen spook is, omdat Hij in zijn vlees zichtbaar is. Stel dat je weghaalt wat volgens Hem een eigenschap is van de natuur van zijn lichaam. Fabriceer je dan geen nieuwe definitie van wat een lichaam is?

Verder, in welke richting ze ook proberen te ontkomen, er is voor hun verzonnen dispensatie geen ruimte in de uitspraak van Paulus dat we uit de hemel onze redder verwachten, die ons vernederd lichaam zal veranderen, zodat het qua vorm gelijk wordt aan zijn verheerlijkt lichaam.3 We moeten immers geen gelijkvormigheid verwachten in de eigenschappen die mijn tegenstanders aan Christus toedichten, zodat ieder een onzichtbaar en onbegrensd lichaam zou hebben. En er valt niemand te vinden die zo dom is dat ze hem zoiets absurds zouden kunnen laten geloven. Laten ze Christus’ verheerlijkt lichaam dus niet de gave toeschrijven dat het op veel plaatsen tegelijk is en niet ruimtelijk begrensd is. Kortom, laten ze óf openlijk de opstanding ontkennen, óf toegeven dat Christus, bekleed met hemelse luister, zijn vlees niet uitgetrokken heeft. Want Hij zal ons samen met Hem laten delen in diezelfde luister, aangezien we ook zullen delen in dezelfde opstanding als Hij.

Immers, wat leert heel de Schrift zo duidelijk als dit? Toen Christus geboren werd uit een maagd, heeft Hij echt ons vlees aangetrokken. Toen Hij voor ons genoegdoening gaf, leed Hij echt in ons vlees. En zo heeft Hij bij zijn opstanding ook echt hetzelfde vlees gekregen en meegenomen naar de hemel. Want de hoop voor onze opstanding en hemelvaart is dat Christus is opgestaan en opgevaren en – zo zegt Tertullianus – het onderpand van onze opstanding met zich meegenomen heeft naar de hemel. Hoe zwak en broos zou die hoop zijn als niet ons eigen vlees echt in Christus was opgewekt en echt het koninkrijk van de hemel was binnengegaan? Toch is dit de werkelijkheid die eigen is aan een lichaam: het neemt een bepaalde ruimtelijke plek in, het heeft bepaalde afmetingen en het heeft een zichtbare gedaante.

Weg dus met dat dwaze verzinsel dat zowel de harten van de mensen als Christus vastmaakt aan het brood! Want welk doel heeft de onzichtbare aanwezigheid onder het brood anders dan om degenen die één willen worden met Christus bij dat teken te laten blijven staan? Maar de Heer zelf wil niet alleen onze ogen, maar al onze zintuigen wegleiden van de aarde. Daarom verbood Hij de vrouwen dat ze Hem aanraakten zolang Hij nog niet was opgevaren naar de Vader.4 Hij ziet dat Maria zich met een vrome ijver om haar eerbied te bewijzen haast om zijn voeten te kussen. Dus waarom zou Hij deze aanraking afkeuren en verbieden zolang Hij nog niet was opgenomen in de hemel? De enige reden is dat Hij niet wil dat we Hem ergens anders zoeken.

Mijn tegenstanders werpen tegen dat Stefanus Hem later toch nog gezien heeft.5 Maar dat kan ik gemakkelijk weerleggen. Het was immers niet nodig dat Christus daarvoor op een andere plek was. Want Hij kon zijn dienaar de mogelijkheid geven om met zijn ogen tot in de hemel te kunnen kijken. Hetzelfde kunnen we zeggen over Paulus.6

Mijn tegenstanders werpen tegen dat Christus een afgesloten graf uitging en bij de leerlingen binnenkwam terwijl de deuren gesloten waren.7 Maar ook dat biedt hun dwaling geen steun. Immers, toen Christus op het meer wandelde, bood het water Hem een pad alsof het een stevige ondergrond was. Zo is het ook geen wonder dat de steen niet langer hard was toen Hij eraan kwam. Al is het waarschijnlijker dat de steen op zijn bevel uit de weg ging en daarna, nadat het Christus doortocht verleend had, weer op zijn plek terugkeerde. En dat Hij binnenkwam terwijl de deur gesloten was, betekent niet dat Hij dwars door vaste materie drong. Het betekent alleen maar dat Hij zich een toegang baande door zijn goddelijke kracht. Daardoor stond Hij plotseling midden tussen zijn leerlingen. Dat was iets wonderlijks omdat de deuren vergrendeld waren.

Mijn tegenstanders halen uit Lucas aan dat Christus plotseling verdween uit de ogen van de leerlingen met wie Hij naar Emmaüs gereisd was.8 Ook daar hebben ze niets aan. Het steunt juist mij. Want om ervoor te zorgen dat zij Hem niet maar zagen, werd Hij niet onzichtbaar, maar verdween Hij alleen. Net zoals Hij, toen Hij samen met hen reisde, geen nieuw uiterlijk aannam om niet herkend te worden, maar ervoor zorgde dat zij Hem met hun ogen niet herkenden. Dat getuigt dezelfde Lucas.9

Mijn tegenstanders laten Christus niet alleen van gedaante veranderen, zodat Hij op aarde kan blijven wonen. Ze verzinnen ook dat Hij hier iemand anders is dan daar en dat Hij niet blijft wie Hij is. Kortom, door zo te kletsen, maken ze van Christus’ lichaam een geest. Dat zeggen ze zo niet, maar daar komt het wel op neer. En daar zijn ze nog niet mee tevreden. Daarom voorzien ze het van heel tegenstrijdige eigenschappen. Het gevolg is dat het niet anders kan of Christus heeft een dubbel lichaam.

1Handelingen 3:21

2Lucas 24:39

3Filippenzen 3:20-21

4Johannes 20:17

5Handelingen 7:55

6Handelingen 9:4

7Mattheüs 28:6; Johannes 20:19

8Lucas 24:31

9Lucas 24:16

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in