4.17.10 – De aanwezigheid van Christus’ vlees in het avondmaal

0
98

Samenvattend: onze zielen worden door Christus’ vlees en bloed net zo gevoed als brood en wijn ons lichaam voeden en in leven houden. Want de analogie tussen het teken en de uitgebeelde werkelijkheid zou niet kloppen als de zielen hun voedsel niet in Christus vonden. En dat kan alleen als Christus echt één met ons wordt en ons verkwikt doordat we zijn vlees eten en zijn bloed drinken.

Het lijkt weliswaar ongelooflijk dat Christus’ vlees zo ver bij ons verwijderd is en toch tot ons doordringt om voedsel voor ons te zijn. Maar we moeten bedenken dat de verborgen kracht van de Heilige Geest ons besef volledig te boven gaat en dat het dwaas is als je zijn onmetelijkheid wilt afmeten aan onze maat. Wat we met ons verstand niet kunnen begrijpen, moeten we dus met geloof aannemen: de Geest maakt werkelijk één wat ruimtelijk ver van elkaar gescheiden is.

Dat heilige delen in zijn vlees en bloed, waardoor Christus zijn leven in ons giet, net alsof het ons in merg en been dringt, bewijst en verzegelt Hij ook in het avondmaal. En dat doet Hij niet door ons een loos teken voor te houden. Nee, Hij laat daar de krachtige werking zien van zijn Geest. Door die kracht vervult Hij wat Hij belooft. Wat Hij in het avondmaal uitbeeldt, biedt Hij daadwerkelijk aan en stalt Hij uit voor ieder die aan die geestelijke maaltijd aanzit. Ook al krijgen alleen de gelovigen de vrucht ervan, als zij deze grote vrijgevigheid gelovig en met een dankbaar hart aannemen.

Daarom zei de apostel Paulus dat het brood dat wij breken het deelhebben is aan Christus’ lichaam en dat de beker die wij daarvoor met woord en gebeden heiligen het deelhebben is aan zijn bloed.1 En nu moet je niet tegenwerpen dat dit een figuurlijke manier van spreken is, waarbij de benaming van wat er wordt uitgebeeld gebruikt wordt voor het teken. Ik geef natuurlijk toe dat het breken van het brood een teken is, niet de werkelijkheid zelf. Maar als het teken gegeven wordt, kunnen we daaruit terecht opmaken dat ook de werkelijkheid gegeven wordt. Want niemand durft toch ooit zeggen dat God ons een loos teken voorschotelt, tenzij je God voor een bedrieger wilt uitmaken! Dus als de Heer door het breken van het brood voor ons zichtbaar maakt dat we echt deel hebben aan zijn lichaam, mogen we er absoluut niet aan twijfelen of Hij dat wel echt geeft.

De vromen moeten volledig vasthouden aan deze regel: zo vaak ze de tekenen zien die de Heer heeft ingesteld, moeten ze met zekerheid beseffen en er van overtuigd zijn dat daar de werkelijkheid aanwezig is van wat er wordt uitgebeeld. Want waarom zou de Heer anders het teken van zijn lichaam aan jou uitdelen, dan om je ervan te verzekeren dat je echt deel hebt aan Hem? En als dat waar is, dat we het zichtbare teken krijgen om te bezegelen dat we de onzichtbare werkelijkheid krijgen – dan moeten we er vast op vertrouwen dat we, als we het teken van het lichaam krijgen, ons evengoed ook het lichaam zelf gegeven wordt.

11 Korinthiërs 10:16

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in