Insitutie Boek 4 – De genademiddelen 4.16 – De kinderdoop 4.16.31 – Twintig argumenten van Servet

4.16.31 – Twintig argumenten van Servet

Ik vind het vervelend om mijn lezers op te zadelen met een hoop van deze onzin. Toch is het goed om kort de mooiklinkende argumenten te weerleggen die Servet – niet de minste van de wederdopers, sterker nog, de trots van die troep – gebruikt als hij zich wapent voor de strijd.

In de eerste plaats beweert Servet dat er voor de sacramenten van Christus volmaakte mensen nodig zijn of misschien mensen die tot volmaaktheid in staat zijn, omdat die sacramenten zelf ook volmaakt zijn. Maar het antwoord ligt klaar: het is verkeerd om de volmaaktheid van de doop te beperken tot één moment. Die volmaaktheid reikt tot aan het moment dat we sterven. Ik voeg daar nog aan toe dat het dom is om op de eerste dag in een mens al te zoeken naar een volmaaktheid waar de doop ons tijdens heel ons leven stap voor stap toe uitnodigt.

In de tweede plaats werpt Servet tegen dat Christus’ sacramenten zijn ingesteld als aandenken aan Hem. Dan kan ieder zich herinneren dat hij samen met Christus begraven is. Mijn antwoord is dat Servet dit zelf verzonnen heeft en dat het niet nodig is dit te weerleggen. Sterker nog, wat Servet hier op de doop laat slaan, gaat over het heilig avondmaal. Dat blijkt uit Paulus’ woorden dat ieder zichzelf moet onderzoeken. 1 Korinthiërs 11:28 Nergens staat zoiets over de doop. Daaruit concludeer ik dat het juist is om degenen te dopen die gezien hun leeftijd nog niet in staat zijn om zichzelf te onderzoeken.

In de derde plaats voert Servet aan dat ieder die niet in de Zoon van God gelooft, in de dood blijft en dat Gods woede op hem blijft. Johannes 3:36 Kleine kinderen kunnen nog niet geloven en daarom liggen ze nog in hun veroordeling. Mijn antwoord daarop is dat Christus het hier niet heeft over de algemene schuld waar alle nakomelingen van Adam in verstrikt zitten. Nee, Hij dreigt hiermee alleen degenen die het evangelie minachten en de hun aangeboden genade trots en koppig afwijzen. Maar dat slaat niet op kleine kinderen. Bovendien plaats ik er een omgekeerde argumentatie tegenover: ieder die door Christus gezegend wordt, wordt verlost van de vloek van Adam en van Gods woede. We weten dat Hij kleine kinderen gezegend heeft. Mattheüs 19:15; Marcus 10:16 Dat betekent dus dat ze verlost zijn van de dood.

Vervolgens haalt Servet een vals citaat aan dat nergens te lezen staat: dat ieder die uit de Geest geboren is, de stem van de Geest hoort. Maar zelfs al zou ik toegeven dat dat ergens geschreven staat, dan zou hij daar toch alleen maar uit kunnen opmaken dat gelovigen zo gevormd worden dat ze gaan gehoorzamen, in overeenstemming met hoe de Geest in hen werkt. Maar het is verkeerd om wat gezegd wordt over een bepaald aantal mensen, op alle mensen op de zelfde manier te laten slaan.

In de vierde plaats beweert Servet dat we, omdat het natuurlijke eerst komt, moeten wachten op het moment dat voor de doop geschikt is. Want de doop is geestelijk. Nu geef ik toe dat alle nakomelingen van Adam uit het vlees geboren zijn en vanaf de moederschoot hun veroordeling met zich meedragen. Toch ontken ik dat dit zou verhinderen dat God meteen een geneesmiddel toepast. Servet kan immers niet laten zien dat God heeft voorgeschreven dat het nieuwe geestelijke leven pas na een aantal jaren kan beginnen. Ook al zijn degenen die uit gelovige ouders geboren zijn, van nature bedorven, toch zijn ze – zo verklaart Paulus – dankzij een bovennatuurlijke genade heilig. 1 Korinthiërs 7:14

In de vijfde plaats komt Servet aanzetten met een allegorie: toen David de burcht Sion beklom, nam hij geen blinden of kreupelen mee, maar sterke soldaten. 2 Samuël 5:8 Maar stel dat ik daar de gelijkenis tegenover zet waarin God voor de hemelse maaltijd blinden en kreupelen uitnodigt. Lucas 14:21 Hoe kan Servet dit probleem dan oplossen? Ook vraag ik of er eerder niet wél kreupelen of verminkten in Davids leger dienden. Maar het is niet nodig nog langer bij deze redenering te blijven stilstaan. De lezers zullen op basis van de heilige geschiedenis wel merken dat deze redenering alleen maar uit leugens bestaat.

In de zesde plaats volgt nog een andere allegorie: de apostelen waren vissers van mensen, niet van kleine kinderen. Mattheüs 4:19 Maar, vraag ik, wat bedoelt Christus dan als Hij zegt dat in het net van het evangelie allerlei soorten vis verzameld worden? Mattheüs 13:47 Maar ik heb geen zin om met allegorieën te spelen. Daarom antwoord ik dat, toen de apostelen de taak werd opgedragen om te onderwijzen, het hun echt niet werd verboden om kleine kinderen te dopen. Trouwens, de evangelist heeft het over het vissen van mensen. En met het woord ‘mensen’ wordt zonder uitzondering heel het menselijk geslacht bedoeld. Ik zou dus ook wel eens willen weten waarom Servet ontkent dat kleine kinderen mensen zijn!

In de zevende plaats voert Servet aan dat geestelijke dingen alleen passen bij geestelijke dingen en dat kinderen dus niet geschikt zijn voor de doop, omdat ze niet geestelijk zijn. Om te beginnen is het volkomen duidelijk hoe verkeerd hij deze passage van Paulus verdraait. Het gaat daar over de leer. De Korinthiërs waren erg tevreden met zichzelf, meer dan gepast was, vanwege hun scherpzinnigheid. Daarom laat Paulus zien hoe laks ze waren. Want ze hadden nog onderwijs nodig in de basisbeginselen van de hemelse leer. 1 Korinthiërs 2:13-14 Wie kan daaruit opmaken dat de doop geweigerd moet worden aan kinderen? Ook al zijn ze uit het vlees geboren, God heiligt hen als zijn kinderen door hen uit genade te adopteren.

In de achtste plaats voert Servet aan dat kleine kinderen, als ze nieuwe mensen zijn, gevoed moeten worden met geestelijk voedsel. Het antwoord hierop is gemakkelijk. Door de doop worden ze toegelaten tot Christus’ kudde. Het symbool van hun adoptie is voor hen voldoende, totdat ze opgroeien en vast voedsel kunnen verdragen. Dan moeten we wachten op het moment dat ze zichzelf kunnen onderzoeken. Want voor het heilig avondmaal eist God zulk onderzoek.

In de negende plaats werpt Servet tegen dat Christus ieder die van Hem is, naar het heilig avondmaal roept. Maar het staat voldoende vast dat Hij niemand toelaat die niet al vooraf bereid is om de herinnering aan zijn dood te prijzen. Dat betekent dus dat kinderen die Christus zijn omhelzing waard gekeurd heeft, totdat ze opgroeien een aparte, eigen positie innemen, maar toch geen buitenstaanders zijn.

Servet brengt daar tegenin dat het absurd is als een mens na zijn geboorte niet zou eten. Mijn antwoord daarop is dat de ziel anders gevoed wordt dan door het zichtbare voedsel van het avondmaal. Christus is dus toch het voedsel voor kleine kinderen, ook al nemen ze geen deel aan het symbool. Maar met de doop is het anders. Want dat opent voor hen alleen de deur naar de kerk.

In de tiende plaats werpt Servet tegen dat een goede rentmeester de gezinsleden op tijd te eten geeft. Mattheüs 25:45 Ik geef dat graag toe. Maar op grond van welke norm wil hij voor ons bepalen wat de het juiste moment is voor de doop, om te bewijzen dat het niet het juiste moment is om die aan kinderen te geven? Servet voert Christus’ bevel aan de apostelen aan dat ze zich moesten haasten om te gaan oogsten, omdat de akkers wit zijn. Johannes 4:35 Maar het is immers alleen maar Christus’ bedoeling dat de apostelen extra ijverig aan het werk zouden gaan om te onderwijzen als ze de vrucht op hun arbeid zagen. Wie kan daaruit opmaken dat alleen de oogst het juiste moment is voor de doop?

Dit is Servets elfde argument: in de eerste kerk waren christenen en leerlingen hetzelfde. Handelingen 11:26 Maar we hebben al gezien dat hij heel dom redeneert van een deel naar het geheel. Met leerlingen werden degenen bedoeld die al oud genoeg waren, die al onderwijs hadden gekregen en zich aan Christus hadden overgegeven. Net als de Joden onder de wet leerlingen van Mozes moesten zijn. Maar toch kan niemand daar terecht uit opmaken dat kleine kinderen buitenstaanders zijn. God heeft van hen verklaard dat ze zijn gezinsleden zijn.

In de twaalfde plaats voert Servet aan dat alle christenen broeders zijn en dat kinderen daar volgens ons niet bij horen zolang we hen afhouden van het avondmaal. Maar ik ga terug naar het principe dat alleen Christus’ ledematen erfgenamen zijn van het koninkrijk van de hemel. En verder dat Christus’ omhelzing een echt teken was van adoptie, waardoor de kleine kinderen werden samengevoegd met de volwassenen. Mattheüs 19:13-15; Marcus 10:13-16; Lucas 18:15-17 En dat de tijdelijke afhouding van het avondmaal niet verhindert dat ze bij het lichaam van de kerk horen. Ook de bekeerde moordenaar aan het kruis is evengoed een broeder van de vromen, ook al is hij nooit aan het avondmaal gegaan. Lucas 23:40-43

In de dertiende plaats voegt Servet er nog aan toe dat niemand onze broeder wordt, behalve door de Geest van de adoptie. Romeinen 8:15 En die wordt alleen gegeven door het luisteren naar het geloof. Galaten 3:2 Mijn antwoord is dat Servet altijd terugvalt op een verkeerde logica: wat alleen over volwassenen gaat, laat hij ook op kinderen slaan. Paulus leert daar dat dit Gods gewone manier van roepen is: Hij brengt zijn uitverkorenen tot geloof door trouwe leraren voor hen te laten opstaan. Via hun bediening en werk strekt Hij zijn hand naar hen uit. Wie zou Hem op grond daarvan een wet durven opleggen dat Hij kleine kinderen niet op een andere verborgen manier in Christus zou mogen enten?

In de veertiende plaats werpt Servet tegen dat Cornelius pas gedoopt werd nadat hij de Heilige Geest gekregen had. Handelingen 10:44-48 Maar uit het voorbeeld van de eunuch en de Samaritanen blijkt hoe verkeerd hij een algemene regel afleidt uit één voorbeeld. Want bij de eunuch en de Samaritanen volgde God een andere volgorde. Daar ging de doop aan de gaven van de Geest vooraf. Handelingen 8:12; 8:27-38

Servets vijftiende argument is meer dan absurd. Hij zegt dat we door onze nieuwe geboorte goden worden en dat Gods Woord naar goden toekomt. Psalm 82:6: Johannes 10:34-35 En dat dat niet van toepassing is op kleine kinderen. Dat hij goddelijkheid toekent aan de gelovigen, is een van zijn waanzinnige ideeën, die ik hier nu niet hoef te weerleggen. Maar dat hij deze passage uit een psalm in zo’n verkeerde betekenis verdraait, laat zien hoe hopeloos brutaal hij is. Christus zegt dat koningen en overheidspersonen door de profeet goden genoemd worden, omdat ze een taak vervullen die hun door God is opgelegd. Maar deze handige uitlegger laat wat hier gaat over het speciale bevel aan bepaalde mensen om te regeren, slaan op de leer van het evangelie. Zo wil hij de kleine kinderen uit de kerk verwijderen.

In de zestiende plaats werpt Servet tegen dat kleine kinderen niet als nieuwe mensen beschouwd kunnen worden, omdat ze niet geboren worden uit het Woord. Maar ook nu herhaal ik wat ik al meerdere keren gezegd heb: de leer is een onvergankelijk zaad om ons opnieuw geboren te laten worden, als we in staat zijn die te begrijpen. 1 Petrus 1:23 Maar als wij vanwege onze leeftijd nog niet in staat zijn om te leren, dan heeft God zijn eigen route om de zijnen opnieuw geboren te laten worden.

In de zeventiende plaats keert Servet weer terug naar zijn allegorieën. Hij zegt dat onder de wet een schaap en een geit niet meteen geofferd werden nadat ze geboren waren. Als we hier met beeldspraak willen komen, kan ik daar gemakkelijk tegen aanvoeren dat alle eerstgeborenen, zodra ze geboren waren, aan God geheiligd waren. Exodus 13:2 En verder dat er een eenjarig lam geofferd moest worden. Exodus 12:5 Dat betekent dus dat je echt niet op volwassen kracht hoeft te wachten. Juist ook pasgeboren en nog prille vruchten kunnen worden uitgekozen om aan God te offeren.

In de achttiende plaats beweert Servet dat alleen degenen die door Johannes de Doper voorbereid zijn, bij Christus kunnen komen. Alsof Johannes’ taak niet tijdelijk was! Maar dat laat ik maar liggen. De kinderen die Christus omhelsd en gezegend heeft, hadden die voorbereiding in elk geval niet gehad. Mattheüs 19:13-15; Marcus 10:13-16; Lucas 18:15-17 Daarom, weg met dat valse principe!

Uiteindelijk neemt Servet in de negentiende plaats Trismegistus1 en de sibillen als zijn verdedigers om aan te tonen dat alleen volwassenen recht hebben op heilige afwassingen. Kijk eens hoe eervol hij denkt over de doop van Christus! Hij meet die af aan de onheilige rituelen van de heidenen om te voorkomen dat die anders bedient zou worden dan Trismegistus goedvindt. Maar voor mij heeft het gezag van God meer waarde. Hij vond het goed kinderen voor zich te heiligen en hen in te wijden door het heilige symbool waarvan zij de kracht nog niet kunnen begrijpen vanwege hun leeftijd. En volgens mij is het niet toegestaan om iets over te nemen van de verzoeningsmiddelen van de heidenen. Want dan zou bij de doop de eeuwige en onschendbare wet van God veranderd worden, die Hij gemaakt heeft voor de besnijdenis.

Ten slotte redeneert Servet zo: als je kinderen mag dopen zonder dat ze het begrijpen, kunnen kinderen de doop bedienen in hun spel, als een spottende imitatie. Maar dan moet hij daarover maar met God in discussie gaan. Dankzij Gods gebod deelden kleine kinderen in de besnijdenis, voordat ze verstand gekregen hadden. Was de besnijdenis daarom een spelletje of onderworpen aan de dwaasheden van kinderen, zodat ze Gods heilige instelling onderuit konden halen? Maar het is geen wonder dat deze verworpen geesten de grofste absurditeiten aanvoeren om hun dwalingen te verdedigen, alsof ze door krankzinnigheid gedreven worden. Want God straft hun hoogmoed en koppigheid met zulke waanzin. Maar ik vertrouw erop dat ik duidelijk gemaakt hebt hoe zwak de hulp is die Servet zijn kleine broertjes, de wederdopers, geboden heeft.

1Hermes Trismegistus, mytische figuur aan wie in de oudheid allerlei wijsheidsteksten werden toegeschreven.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.

FunctionalOur website uses functional cookies. These cookies are necessary to let our website work.

AnalyticalOur website uses analytical cookies to make it possible to analyze our website and optimize for the purpose of a.o. the usability.

Social mediaOur website places social media cookies to show you 3rd party content like YouTube and FaceBook. These cookies may track your personal data.

AdvertisingOur website places advertising cookies to show you 3rd party advertisements based on your interests. These cookies may track your personal data.

OtherOur website places 3rd party cookies from other 3rd party services which aren't Analytical, Social media or Advertising.