Insitutie Boek 4 – De genademiddelen 4.15 – De doop 4.15.16 – De waarde van de doop hangt niet af van wie hem bedient

4.15.16 – De waarde van de doop hangt niet af van wie hem bedient

Nu hebben we vastgesteld dat we de waarde van een sacrament niet moeten taxeren volgens de hand van wie het bedient, maar volgens de hand van God van wie het zonder twijfel afkomstig is. Als dit waar is, kun je daaruit opmaken dat aan de waardigheid van een sacrament niets wordt toe- of afgedaan door degene wiens hand het uitdeelt. Het is net als wanneer er tussen mensen een brief verstuurd wordt. Dan doet het er absoluut niet toe wie of wat voor iemand de brief bezorgt. Als het handschrift en het zegel maar duidelijk genoeg te herkennen zijn. Zo moet het voor ons voldoende zijn als we in de sacramenten van de Heer zijn hand en zegel herkennen, wie ze dan ook bezorgt.

Dit weerlegt heel goed de dwaling van de donatisten. Zij maten de kracht en de waarde van het sacrament af aan de waardigheid van de dienaar. Tegenwoordig zijn onze wederdopers ook zulke mensen. Zij ontkennen koppig dat wij gedoopt zijn zoals het hoort, omdat wij gedoopt zijn in het rijk van de paus, door goddelozen en afgodendienaars. Daarom dringen ze als bezetenen aan op herdoop.

Tegen zulke onzin zijn we met voldoende argumenten bewapend als we bedenken dat we door de doop niet worden ingewijd in de naam van een mens, maar in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Het is dus niet de doop van een mens, maar van God, wie die doop ook bediend mag hebben. Ook al waren degenen die ons doopten ook nog zo onwetend of ook al hadden ze nog zoveel minachting voor God en heel de vroomheid, toch hebben ze ons niet gedoopt om te delen in hun onwetendheid of heiligschennis, maar in het geloof in Jezus Christus. Want ze hebben niet hun eigen naam aangeroepen, maar Gods naam. Ze hebben ons in geen andere naam gedoopt.

Als het Gods doop was, bevatte die vast en zeker de belofte over de vergeving van zonden, het sterven van het vlees, de geestelijke levendmaking en het deel krijgen aan Christus. De Joden hebben er ook geen nadelige gevolgen van ondervonden dat ze besneden werden door onreine en afvallige priesters. Dat maakte het teken niet ongeldig, zodat de besnijdenis herhaald zou moeten worden. Nee, het was voldoende als ze terugkeerden naar de echte oorsprong.

De wederdopers werpen tegen dat de doop bediend moet worden in een vergadering van vromen. Maar dat bekent nog niet dat de kracht van de doop volledig wordt gedoofd door een gedeeltelijk gebrek. We leren wel wat er moet gebeuren om de doop rein te houden en vrij van alle smetten. Maar daarom doen we Gods instelling nog niet teniet, ook al bederven afgodendienaars die. Vroeger was de besnijdenis bedorven door vele vormen van bijgeloof. Toch bleef men die beschouwen als een symbool van de genade. En toen Josia en Hizkia uit heel Israël degenen verzamelden die afvallig geworden waren van God, riepen ze hen niet op om zich voor de tweede keer te laten besnijden.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.