4.13.8 – Het oude kloosterleven

0
83

Het is niet nodig alle vormen een voor een op te sommen. Maar kloostergeloften staan meer in aanzien, omdat het lijkt alsof de kerk die met een publiek oordeel lijkt goed te keuren. Daarom moet ik die geloften kort bespreken.

In de eerste plaats moet niemand het monnikenbestaan, zoals het tegenwoordig is, verdedigen door erop te wijzen dat het al heel oud is. Daarom moet ik noemen dat er vroeger in kloosters heel anders geleefd werd. Degenen die zich wilden trainen in een grote strengheid en geduld, gingen naar het klooster. Wat verteld wordt over de tucht van de Spartanen onder de wetten van Lycurgus, zo was het toen bij monniken, zelfs nog strenger! Ze sliepen op de grond, dronken water en aten brood, kruiden en wortels. Hun grootste luxe bestond uit olie en erwten. Ze onthielden zich van alle meer verfijnde manieren om het lichaam te voeden en te verzorgen.

Als ik dit zeg, kan het lijken alsof ik overdrijf. Maar het wordt ons overgeleverd door getuigen die het zelf gezien en ervaren hebben: Gregorius van Nazianze, Basilius de Grote en Chrysostomos.

En door zo’n basistraining bereidden de monniken zich voor op grotere taken. Want kloostergemeenschappen waren toen als het ware kweekplaatsen voor de geestelijke stand. Overtuigend bewijs daarvan vormen niet alleen degenen die ik net noemde – ze zijn alle drie in kloosters opgevoed en vandaar geroepen tot de bisschopstaak – maar ook andere grote en geweldige mannen uit hun tijd.

En Augustinus laat zien dat het ook in zijn tijd gebruikelijk was dat kloosters de dienaren leverden voor de kerk. Want tegen de monniken van het eiland Capraria zegt hij: ‘Ik spoor jullie aan, broeders, dat jullie blijven bij jullie voornemen en tot het eind toe volhouden. En als onze moeder, de kerk, op een geven moment graag wil dat jullie werken, neem die taak dan niet aan uit een gretige trots en wijs die evenmin af uit een verleidelijke luiheid. Nee, gehoorzaam God met een zachtmoedig hart. Stel je eigen gemak niet boven de behoeften van de kerk. Want als goede mannen de kerk niet hadden willen dienen toen ze in barensnood was, hadden jullie niet de kans gekregen om geboren te worden.’1 Hij heeft het namelijk over de bediening waardoor gelovigen geestelijk opnieuw geboren worden.

En tegen Aurelius zegt hij: ‘Als deserteurs uit het klooster gekozen worden om te dienen als geestelijken, wordt hun een aanleiding gegeven om te vallen en dan wordt de stand van de geestelijken heel groot onrecht gedaan. Want van degenen die wel in het klooster blijven, nemen we altijd alleen degenen die het meest getest en de besten zijn, aan om in de kerk te dienen. Anders wordt er, net zoals men zegt: “Een slechte fluitist is nog een wel een goede muzikant,” ook over ons voor de grap gezegd: “Een slechte monnik is nog wel een goede dienaar.” Het zou heel erg zijn als we de monniken zouden verheffen tot zo’n gevaarlijke hoogmoed en de dienaren zo’n grote belediging waard zouden keuren. Want soms kan zelfs een goede monnik nauwelijks een goede dienaar worden, als hij wel voldoende zelfbeheersing heeft, maar niet de benodigde kennis.’2

Uit deze passages blijkt dat het de gewoonte was dat vrome mannen zich door de kloosterdiscipline voorbereidden op het besturen van de kerk. Dan zouden ze extra bekwaam en beter getraind zijn om zo’n grote taak op zich te nemen. Maar niet iedereen bereikte dat einddoel of probeerde dat zelfs maar. Want het waren voor een groot deel ongeletterde mensen. Maar degenen die geschikt waren, werden uitgekozen.

1Augustinus, Epistulae 48,2

2Augustinus, Epistulae 60,1

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in