4.13.4 – Geloften voor het verleden: dankbaarheid en berouw

0
77

Nu kom ik bij het derde punt dat ik genoemd heb: als je wilt dat God blij is met een gelofte, is het heel belangrijk met welke bedoeling je die doet. Want de Heer kijkt naar het hart en niet naar uiterlijke schijn. Zodoende doet hetzelfde ding Hem de ene keer plezier, terwijl Hij het een andere keer heel erg vindt, als je er in je hart een andere bedoeling mee hebt. Als je belooft je van wijn te onthouden, alsof daar iets heiligs in zou liggen, ben je bijgelovig. Als je er een andere, niet verkeerde bedoeling mee hebt, kan niemand het afkeuren.

Voorzover ik dat kan beoordelen, zijn er vier juiste doelen die we met onze geloften op het oog kunnen hebben. Omwille van het onderwijs breng ik daarvan twee in verband met het verleden en twee met de toekomst.

Op het verleden slaan de geloften waarmee we God onze dankbaarheid tonen voor zegeningen die we gekregen hebben of waarmee we onszelf straf opleggen voor misdaden die we begaan hebben, om God te bidden zijn woede te laten ophouden. Als je wilt, kunnen we de eerste trainingen in dankbaarheid en de tweede trainingen in berouw noemen.

Een voorbeeld van de eerste categorie hebben we in de tienden die Jacob beloofde als de Heer hem uit de ballingschap veilig zou terugbrengen in zijn vaderland.1 Een ander voorbeeld hebben we in de oude vredesoffers die vrome koningen en legeraanvoerders, als ze op het punt stonden te beginnen aan een rechtvaardige oorlog, beloofden te brengen als ze de overwinning zouden behalen. Of anders als ze erg in het nauw zaten en de Heer hen zou verlossen. Zo moeten we de passages opvatten in de Psalmen die over geloften gaan.2

Zulke geloften kunnen wij tegenwoordig ook gebruiken, steeds als de Heer ons verlost van een zware ziekte of van een ander gevaar. Het is niet zo dat het niet bij de plicht van een vrome man past als hij, als een openbaar teken van dankbaarheid, een gelofteoffer wijdt aan God. Dan lijkt hij niet ondankbaar voor Gods welwillendheid.

Om duidelijk te maken wat de aard is van de tweede categorie, hebben we genoeg aan slechts één bekend voorbeeld. Als iemand gulzig is en door die fout iets verkeerds doet, is er niets op tegen als hij, als straf voor zijn gebrek aan zelfbeheersing, zichzelf een tijdlang alle lekkernijen ontzegt en als hij, om zich daartoe extra streng te verplichten, gebruik maakt van een gelofte. Maar toch schrijf ik mensen die zo gezondigd hebben, geen wet voor die altijd geldig is. Nee, ik laat alleen zien dat degenen die vinden dat dat goed voor hen is, zo’n gelofte mogen doen. Ik sta het doen van zo’n gelofte dus toe, maar tegelijkertijd laat ik het toch vrij.

1Genesis 28:20-22

2Psalm 22:26; Psalm 56:13; Psalm 116:14-18

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in