4.12.6 – De uitvoering van de tucht

0
94

Nu ik zo de doelen opgesomd heb, moeten we alleen nog kijken hoe de kerk dit onderdeel van de tucht dat in de rechtspraak ligt, uitvoert.

Om te beginnen moeten we ons daarbij aan de bovengenoemde indeling houden: sommige zonden zijn openbaar en andere persoonlijk of verborgen. Openbare zonden zijn zonden waarbij niet slechts één of twee getuigen zijn, maar die openlijk aanwijsbaar zijn, zodat ze heel de kerk aanstoot geven. Met verborgen zonden bedoel ik niet de zonden die volledig verborgen zijn voor mensen, zoals de zonden van huichelaars. Zulke zonden vallen niet onder het oordeel van de kerk. Nee, ik bedoel er de zonden mee die behoren tot een middencategorie: zonden waar wel getuigen van zijn, maar die toch niet openbaar zijn.

Voor de eerste categorie zijn niet de stappen nodig die Christus opsomt. Als zo’n zonde openbaar wordt, moet de kerk haar plicht doen door de zondaar te dagvaarden en te straffen in overeenstemming met de ernst van de overtreding. Bij de tweede categorie gaan we niet naar de kerk vóórdat duidelijk is dat de zonde koppig wordt volgehouden. Dat is in overeenstemming met Christus’ regel.

Als het zover gekomen is dat de kerk ervan afweet, dan moeten we letten op de tweede indeling tussen misdaden en overtredingen. Want bij lichtere zonden moeten we niet zo streng zijn. Dan is het voldoende om de zondaar met woorden te berispen en dat dan vriendelijk en vaderlijk. We moeten hem niet verbitteren of in verwarring brengen. Nee, hij moet er eerder blij dan bedroefd om zijn dat hij berispt wordt.

Maar schanddaden moeten met een scherper middel bestraft worden. Als je door het plegen van een misdaad een slecht voorbeeld gegeven hebt en zo de kerk ernstig gekwetst hebt, is het immers niet voldoende als je alleen met woorden berispt wordt. Nee, voor een tijd moet je de gemeenschap van het avondmaal ontzegd worden, tot je blijk gegeven hebt van je berouw. Tegen de man uit Korinthe gebruikt Paulus immers niet alleen een berisping met woorden. Nee, hij verwijdert hem uit de kerk en wijst de Korinthiërs terecht omdat ze hem zo lang geduld hebben.1

Aan deze manier van doen hield de oude en betere kerk zich, toen de wettige regering nog van kracht was. Want als iemand een schanddaad had pleegt en daarmee aanstoot had gegeven, werd hem in de eerste plaats bevolen dat hij zich van het heilig avondmaal moest onthouden. En in de tweede plaats dat hij zich niet alleen voor Gods aangezicht moest verootmoedigen, maar ook voor de kerk blijk moest geven van zijn berouw.

Bovendien waren er officiële rituelen in gebruik die men altijd oplegde aan mensen die gevallen waren, zodat ze daarmee konden laten zien dat ze berouw hadden. En als zo iemand die zo had uitgevoerd dat de kerk genoegdoening gekregen had, werd hij met handoplegging weer in genade aangenomen. Die heropname wordt door Cyprianus meer dan eens ‘vrede’ genoemd. Hij geeft ook een korte beschrijving van zo’n ritueel. Hij zegt: ‘Een vastgestelde periode doen ze boete. Daarna belijden ze hun schuld en krijgen ze door middel van de handoplegging door de bisschop en de geestelijken het recht om deel te nemen aan het avondmaal.’2 Hoewel, de bisschop had wel met zijn geestelijken de leiding over de verzoening. Maar dan wel zo dat hij ook toestemming nodig had van het volk. Dat vertelt Cyprianus ergens anders.

11 Korinthiërs 5:1-7

2Cyprianus, Epistulae 62, 16,2 en 14,4

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in