4.12.2 – Persoonlijke vermaningen

0
79

Het eerste fundament onder de tucht is dat er ruimte moet zijn voor persoonlijke vermaningen. Dat wil zeggen: als iemand niet uit eigen beweging zijn plicht doet of zich niet gedraagt zoals het hoort, of minder fatsoenlijk leeft of iets misdaan heeft dat afgekeurd moet worden, moet hij zich laten vermanen. En als dat nodig is, moet ieder zich ervoor inzetten om zijn broeder te vermanen.

Maar vooral de herders en de ouderlingen moeten op dit punt waakzaam zijn. Hun taak is niet alleen prediken voor het volk. Als men niet voldoende vooruitkomt door het algemene onderwijs, is het ook hun taak om van huis tot huis te vermanen en aan te sporen. Dat leert Paulus, als hij vertelt en verklaart dat hij schoon is van ieders bloed omdat hij nooit ophield onder tranen dag en nacht iedereen te vermanen.1 Want een dienaar moet niet alleen voor iedereen tegelijk uitleggen wat ze Christus verplicht zijn. Hij moet ook het recht en de middelen hebben om dat te eisen van degenen van wie hij merkt dat ze de leer te weinig gehoorzamen of dat ze te laks zijn in het gehoorzamen. Dan heeft de leer macht en gezag.

Wijst iemand zulke waarschuwingen koppig af of blijft hij met zijn zonden doorgaan en laat hij zo zien dat hij die vermaningen minacht? Dan gebiedt Christus dat hij eerst nog een tweede keer gewaarschuwd moet worden. Daarna moet hij geroepen worden voor het oordeel van de kerk, dat wil zeggen: voor de vergadering van de ouderlingen. Daar moet hij nog ernstiger gewaarschuwd worden als door een openbaar gezag. Als hij eerbied heeft voor de kerk, zal hij zich dan onderwerpen en gehoorzamen. Als hij ook dan niet buigt, maar volhoudt in zijn boosaardigheid, dan beveelt Christus dat hij moet worden afgesneden van de gemeenschap van de gelovigen, als iemand die de kerk minacht.

1Handelingen 20:20-31

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in