Augustinus beveelt vooral één ding aan: als de grote massa met zonde besmet is geraakt, is de strenge barmhartigheid van een sterke tucht nodig. ‘Want,’ zegt hij, ‘het advies om je af te scheiden is zinloos, gevaarlijk en heiligschennend. Het maakt goddeloos en hoogmoedig. Het brengt alleen zwakke goeden in verwarring, in plaats van dat het moedige slechten corrigeert.’

En wat hij hier anderen voorschrijft, heeft hij ook zelf trouw gedaan. Want als hij aan Aurelius, de bisschop van Carthago schrijft, klaagt hij dat in Afrika de dronkenschap ongestraft tiert, terwijl de Schrift die zo ernstig veroordeelt. En hij adviseert Aurelius om een concilie van bisschoppen bijeen te roepen en met een geneesmiddel te komen. Vervolgens voegt hij eraan toe: ‘Volgens mij worden zulke dingen niet opgeruimd door streng of hard te zijn of door tot gehoorzaamheid te dwingen. Nee, eerder door te onderwijzen dan door te bevelen, eerder door aan te sporen dan door te dreigen. Want zo moet men doen met een menigte van zondaren. Maar strengheid moet worden toegepast tegen de zonden van enkelingen.’1
Toch bedoelt hij niet dat de bisschoppen zonden door de vingers moeten zien of moeten zwijgen omdat ze deze openbare schanddaden niet streng kunnen bestraffen. Dat legt hij daarna ook zelf uit. Nee, hij wil dat de strafmaat beperkt wordt, zodat de straf het lichaam niet doodt, maar gezond maakt. Daarom concludeert hij ten slotte: ‘Ook het gebod van de apostel over het verwijderen van slechten mogen we dus absoluut niet negeren. Als het maar kan gebeuren zonder dat er gevaar dreigt dat de vrede verstoord wordt. Want hij wilde niet dat het anders zou gaan. En ook moeten we erop letten dat we ons best doen de eenheid van de Geest in de band van de vrede te bewaren door elkaar te verdragen.’2
1Augustinus, Epistulae, 22.
2Augustinus, Contra epistulam Parmeniani III, 2.


















