Insitutie Boek 4 – De genademiddelen 4.11 – Kerkelijke rechtspraak 4.11.15 – Immuniteit voor roomse geestelijken

4.11.15 – Immuniteit voor roomse geestelijken

Verbonden met de rechtspraak is de immuniteit die de roomse geestelijken voor zichzelf claimen. Ze vinden het beneden hun waardigheid dat zij zich voor een burgerlijke rechter zouden moeten verantwoorden in zaken die hen persoonlijk aangaan. En ze zijn van mening dat zowel de vrijheid als het aanzien van de kerk inhouden dat zij niet onderworpen zijn aan de algemene rechtspraak en wetten.

Maar de oude bisschoppen, die in andere opzichten heel streng waren in het handhaven van het recht van de kerk, waren van mening dat het hen en hun orde niet schaadde als zij aan de wetten onderworpen waren. Bovendien hebben de vrome keizers steeds als dat nodig was, geestelijken voor hun rechtbank gedaagd. En niemand verzette zich daartegen.

Want Constantijn de Grote zegt in zijn brief aan de inwoners van Nicomedia: ‘Als een van de bisschoppen onbezonnen opschudding veroorzaakt heeft, zal zijn brutaliteit bedwongen worden door de macht van Gods dienaar. Door mijn macht dus.’1

En keizer Valentinianus zegt: ‘Goede bisschoppen spreken de macht van de keizer niet tegen. Nee, zij houden zich oprecht aan de geboden van God, de grote koning, en gehoorzamen onze wetten.’ In die tijd was iedereen daarvan overtuigd. Er bestond geen verschil van mening over.

Kerkelijke zaken vielen inderdaad onder het oordeel van de bisschop. Bijvoorbeeld als een geestelijke geen wet overtreden had, maar alleen een van de kerkelijke canones. Dan werd hij niet gedagvaard voor een algemene rechtbank. Nee, dan was in zijn zaak de bisschop de rechter. Zo ging het ook als er een meningsverschil over het geloof werd behandeld of een zaak die direct te maken had met de kerk. Ook dan was het de taak van de kerk om daarin recht te spreken.

Zo moeten we opvatten wat Ambrosius schrijft aan Valentinianus: ‘Uw vader, die we met hoogachting in herinnering houden, heeft niet alleen mondeling uitgesproken, maar ook in wetten vastgelegd dat in een geloofszaak iemand moet oordelen die daar qua taak en qua recht geschikt voor is.’ En: ‘Als we kijken naar de Schrift of naar voorbeelden uit het verleden, wie durft dan ontkennen dat in een zaak die betrekking heeft op het geloof – ik herhaal: een zaak die betrekking heeft op het geloof – bisschoppen oordelen over keizers en keizers niet over bisschoppen?’ En: ‘Ik zou naar uw kabinet gekomen zijn, keizer, als de bisschoppen of het volk mij hadden laten gaan. Maar zij zeggen dat een zaak die betrekking heeft op het geloof, in de kerk behandeld moet worden, voor het volk.’2

Weliswaar stelt Ambrosius dat een geestelijke zaak – een zaak die betrekking heeft op de godsdienst – niet behandeld moet worden voor een burgerlijke rechtbank, waar aardse geschillen worden behandeld. Terecht prijst iedereen hem om zijn standvastigheid in deze kwestie. Maar ook al heeft hij daarin gelijk, toch gaat hij zover dat hij zegt dat hij zal toegeven als er fysiek geweld gebruikt zou worden. Hij zegt: ‘Ik zal de plaats die mij is toevertrouwd niet vrijwillig verlaten. Maar als ik gedwongen wordt, zal ik me niet verzetten. Want onze wapens zijn gebed en tranen.’3

Laten we erop letten hoe beheerst en verstandig die heilige man was en hoe grootmoedig en vol vertrouwen ook. Justina, de moeder van de keizer, deed haar best om hem uit de regering van de kerk weg te krijgen, omdat ze hem niet kon overhalen om de kant van de arianen te kiezen. Het zou haar gelukt zijn als hij, toen hij naar het paleis geroepen werd om zijn zaak te bepleiten, inderdaad gekomen was. Hij ontkent dus dat de keizer geschikt is om recht te spreken in zo’n groot geschil. Dat was nodig gezien de omstandigheden in die tijd, maar ook omdat de aard van de zaak dat altijd vraagt. Want hij vond dat hij beter kon sterven dan dat hij toestemming gaf om zo’n voorbeeld over te leveren aan het nageslacht. Toch denkt hij er niet over om zich te verzetten als er geweld gebruikt zou worden. Want hij zegt dat het een bisschop niet past om het geloof en het recht van de kerk te beschermen met wapens.

Echter, in andere dingen toont hij zich graag bereid om alles te doen wat de keizer beveelt. Hij zegt: ‘Als de keizer belasting eist, weigeren wij niet. De landgoederen van de kerk betalen belasting. Eist de keizer landgoederen? Hij heeft de macht om ze op te eisen. Niemand van ons zal zich ertegen verzetten.’

Op dezelfde manier spreekt ook Gregorius. Hij zegt: ‘Ik ken het hart van onze genadige heer heel goed. Ik weet dat hij zich nooit inlaat met de zaken van de priesters, om te voorkomen dat hij belast zou worden met onze zonden.’4 Hij sluit niet volledig uit dat de keizer mag oordelen over priesters. Maar hij zegt dat er bepaalde zaken zijn die de keizer moet overlaten aan het oordeel van de kerk.

1Theodoretus van Cyrrhus, Historia ecclesiastica I, 20; IV, 8.

2Ambrosius van Milaan, Epistulae, 21,2, 4, 17.

3Ambrosius van Milaan, Sermo contra Auxentium de basilicis tradendis, 1, 2, 3 en 23.

4Gregorius de Grote, Epistulae III, 20.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.