4.10.8 – Twee redenen waarom God de enige wetgever is

0
88

Deze hele kwestie draait dus hierom: als God de enige wetgever is, is het mensen niet toegestaan om zich die eer aan te matigen. Daarom moeten wij tegelijk de twee redenen in gedachten houden die ik genoemd heb, waarom de Heer dit alleen aan zichzelf toekent.

De eerste reden is dat zijn wil voor ons de volmaakte norm moet zijn voor alle rechtvaardigheid en heiligheid. En dus moet in het kennen van die wil de volmaakte kennis liggen om goed te leven.

De tweede reden is dat – als je vraagt wat de manier is om Hem goed te dienen, zoals het hoort – Hij alleen over onze ziel moet regeren. We moeten Hem gehoorzamen en van zijn wil afhankelijk zijn.

Als we deze twee redenen in gedachten houden, kunnen we gemakkelijk beoordelen welke bepalingen van mensen met Gods Woord in strijd zijn. Dat zijn alle bepalingen van het soort waarvan men beweert dat ze te maken hebben met het echt dienen van God en waaraan het geweten gebonden wordt om zich daaraan te houden, alsof het onmisbaar is om je eraan te houden. We moeten dus bedenken dat alle menselijke wetten op deze weegschaal gewogen moeten worden, als we een betrouwbare test willen hebben die ons nergens laat afdwalen.

Paulus gebruikt de eerste reden als hij in de brief aan de Kolossenzen valse apostelen bestrijdt, die de kerken met nieuwe lasten proberen te onderdrukken.1 In de brief aan de Galaten maakt hij bij een vergelijkbare zaak meer gebruik van de tweede reden.2

In de brief aan de Kolossenzen beargumenteert Paulus dus dat we de leer over hoe God we echt moeten dienen, niet moeten zoeken bij mensen. Want de Heer heeft ons betrouwbaar en volledig onderwezen hoe Hij gediend moet worden. Om dit te bewijzen, zegt hij in Kolossenzen 1 dat het evangelie alle wijsheid bevat waardoor de mens van God in Christus volmaakt kan worden.3 Aan het begin van Kolossenzen 2 zegt hij dat alle schatten van wijsheid en kennis verborgen liggen in Christus.4 Op basis daarvan concludeert hij vervolgens dat de gelovigen moeten oppassen dat ze niet door loze filosofie van Christus’ kudde worden afgeleid, volgens de bepalingen van mensen.5 Maar aan het eind van dat hoofdstuk veroordeelt hij nog vrijmoediger alle eigenwillige godsdienst. Dat wil zeggen: alle verzonnen diensten die mensen zelf bedenken of van anderen krijgen en alle geboden over het dienen van God die ze op eigen initiatief durven leren.6 We begrijpen dus dat alle bepalingen waarvan men beweert dat je je daaraan moet houden om God te dienen, goddeloos zijn!

En de passages waar Paulus uitdrukkelijk tegen de Galaten zegt dat je het geweten niet in strikken mag vangen, omdat alleen God het geweten moet regeren, zijn duidelijk genoeg. Vooral in Galaten 5.7 Daarom moet het maar genoeg zijn dat ik ze genoemd heb.

1Kolossenzen 2:8

2Galaten 5:1-12

3Kolossenzen 1:28

4Kolossenzen 2:3

5Kolossenzen 2:8

6Kolossenzen 2:16-23

7Galaten 5:1-12

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in