4.10.4 – Binding en vrijheid van het geweten

0
76

Dus zoals onze daden gericht zijn op de mensen, zo is het geweten gericht op God. Een goed geweten is dus niets anders dan de innerlijke zuiverheid van het hart.

Dat bedoelt Paulus als hij schrijft dat de wet vervuld wordt door de liefde die voortkomt uit een zuiver geweten en een ongehuicheld geloof.1 Daarna laat hij in hetzelfde hoofdstuk zien hoe groot het verschil is tussen het geweten en inzicht, als hij zegt dat sommigen in het geloof schipbreuk geleden hebben omdat ze een goed geweten hebben opgegeven.2 Met die woorden geeft hij aan dat een goed geweten een levend verlangen is om God te dienen en een oprechte begeerte om vroom en heilig te leven.

Weliswaar wordt het geweten soms ook in verband gebracht met mensen. Bijvoorbeeld als dezelfde Paulus bij Lucas verklaart dat hij zijn best gedaan heeft om voor God en mensen te wandelen met een goed geweten.3 Maar dat wordt zo gezegd omdat de vruchten van een goed geweten naar de mensen stromen en hen raken. Maar in eigenlijke zin slaat het geweten alleen op God, zoals ik al gezegd heb.

Zodoende zeggen we dat de wet het geweten bindt. Want de wet bindt simpelweg de mens, zonder te kijken naar andere mensen of rekening met hen te houden. Bijvoorbeeld: God gebiedt niet alleen ons hart kuis te houden en rein van alle wellust. Hij verbiedt ook obscene taal en uiterlijke losbandigheid. Mijn geweten wordt verplicht zich aan deze wet te houden, zelfs al zou er geen enkel ander mens op aarde leven. Dus wie zich onkuis gedraagt, zondigt niet alleen omdat hij zijn broeders een slecht voorbeeld geeft. Nee, zijn geweten verklaart hem ook schuldig tegenover God.

Maar met dingen die erop zichzelf niet toe doen, zit het anders. Dingen die voor anderen een struikelblok vormen, moeten we nalaten, maar het geweten blijft dan vrij. Daarom zegt Paulus, als hij het heeft over vlees dat gewijd is aan afgoden: ‘Als er iemand bezwaar maakt, raak het dan niet aan, omwille van het geweten. Maar daarmee bedoel ik niet jouw eigen geweten, maar dat van de ander.’4 Een gelovige zou zondigen als hij gewaarschuwd is en toch zulk vlees eet. Het is nodig dat hij zich, met het oog op zijn broeder, ervan onthoudt. God schrijft dat voor. Toch blijft hij een vrij geweten houden. We zien dus dat deze wet alleen het uiterlijke gedrag bindt, maar het geweten vrij laat.

11 Timotheüs 1:5

21 Timotheüs 1:19

3Handelingen 24:16

41 Korinthiërs 10:28-29

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in